Glans van mini-stelsel is alweer verbleekt

DEN HAAG, 28 APRIL. Het cijferfetisjisme in Den Haag zou bijna doen vergeten dat er ook nog fundamentele keuzes moeten worden gemaakt. Het verschil tussen de ideologische stromingen in Nederland komt zonneklaar tot uiting in de sociale zekerheid.

De VVD kiest al sinds jaar en dag voor het individu en wil de sociale zekerheid beperken tot het sociale minimum. Wie meer wil moet zich richten tot particuliere verzekeraars. De PvdA kiest - zie de commissie-Wolfson - voor een brede verzorgingsstaat met een belangrijke taak voor de overheid als het om de uitvoering gaat. Het CDA neemt als vanouds een middenpositie in. Dat werd weer eens bevestigd door het gisteren gepubliceerde rapport-Kolnaar. Bij de uitvoering van de sociale zekerheid stellen de christen-democraten groot vertrouwen in het maatschappelijke middenveld, in casu de werkgevers en de werknemers die als "sociale partners' tot elkaar veroordeeld zijn. Diezelfde sociale partners spelen volgens Kolnaar c.s. ook bij bovenminimale verzekeringen een sleutelrol.

De glans van het ministelsel, vorig jaar door de problemen in de WAO enigszins opgelicht, is al weer verbleekt. In januari wees de commissie-Wolfson voor de PvdA het ministelsel principiëel van de hand (“de verzorgingsstaat is er niet alleen voor de minima”). De werkgroep-Kolnaar kwam voor coalitiepartner CDA tot een soortgelijke keuze, maar wel om meer praktisch redenen.

In een ministelsel zorgt de overheid voor uitkeringen op het niveau van het sociale minimum; wie meer wil moet zichzelf - via het bedrijf of anderszins - op de verzekeringsmarkt bijverzekeren. Kolnaar vreest nu, net als Wolfson, dat het bovenminimale risico van werkloosheid en arbeidsongeschiktheid niet of onvoldoende via particuliere verzekeraars kan worden gedekt. Dus blijven wettelijke regelingen hier gewenst. WW en WAO moeten blijven.

Dat geldt volgens Kolnaar niet voor de Ziektewet. Die mag van de CDA-werkgroep verdwijnen want, stelt men, het inkomensrisico van ziekteverzuim kan wèl worden bijverzekerd. Die stap is minder revolutionair dan ze op het eerste gezicht lijkt. Immers, het kabinet wil nu al de eerste zes weken ziekteverzuim (drie weken voor kleine bedrijven) voor rekening laten komen van de werkgever. In die periode valt het grootste deel van het ziekteverzuim. De stap naar een volledige afschaffing van de ziektewet is dan niet groot meer.

De afschaffing van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de volksverzekering die de bodem legt voor de WAO-uitkeringen, is opmerkelijker. Kolnaar c.s. betogen dat één arbeidsongeschiktheidswet voor werknemers beter en efficiënter is. Maar men erkent dat dit problemen geeft voor vroeg-gehandicapten die nooit werknemer konden worden. Voor hen moet een speciale AAW blijven bestaan. Daarnaast zijn er de zelfstandigen. In ondernemerskring erkent men dat zij hun eigen risico's moeten dragen, maar de vraag rijst hoe. Een eigen waarborgfonds? Of toch maar een soort AAW? Het probleem is nog niet opgelost.

Nog opmerkelijker is - of lijkt - het pleidooi van Kolnaar c.s. voor een onafhankelijk toezicht op de uitvoering van de sociale zekerheid. Immers, de werkgroep legt tevens grote nadruk op de eigen verantwoordelijkheid van de sociale partners waar het die uitvoering betreft.

De commissie-Wolfson sprak in dit verband nog van een “aansturing door de uitvoering met een eigen verantwoordelijkheid van de overheid”, die zich wel mag “laten raden door sociale partners, maar niet mag laten overstemmen”. Via allerlei financiële prikkels moest de overheid de uitvoerders stimuleren tot de reïntegratie van mensen met een uitkering op de arbeidsmarkt. De commisie-Kolnaar gaat niet zover. De bedrijfsverenigingen, waarin de sociale partners het voor het zeggen hebben, kunnen en mogen niet fuseren met overheidsinstellingen zoals arbeidsbureaus. Werkgevers en werknemers betalen samen de premies voor de werknemersverzekeringen, dus zijn zij ook verantwoordelijk voor de uitvoering. De rol van de overheid moet zelfs worden teruggedrongen.

Toch pleit de commissie-Kolnaar voor een onafhankelijk toezicht. Het argument is bekend: uitvoerders kunnen niet toezien op zichzelf. Tot 1 januari was het toezicht een zaak van de Sociale Verzekeringsraad, waarin werkgevers en werknemers tweederde van de zetels bezetten. Per 1 januari fungeert binnen de SVR een onafhankelijke Toezichtkamer, waarin de sociale partners nog de helft van de zetels bezetten. Bijster enthousiast waren de "partners' daarover niet. Maar zie: nu pleiten Kolnaar c.s. zelfs voor een toezicht van louter onafhankelijke deskundigen. Verliest het CDA wat dit punt betreft het "maatschappelijk middenveld' plotseling uit het oog?

Dat valt wel mee. Het onafhankelijke toezicht moet controleren of de wet wordt uitgevoerd. Maar tezelfdertijd wordt de invulling van de sociale verzekeringen, de bovenwettelijke uitkeringen voorop, nog meer dan nu een zaak van de sociale partners. Bovendien blijft het onafhankelijke toezicht een zaak van de SVR. En daar hebben de sociale partners nog altijd een dominante inbreng.

Een zelf ontwikkeld lesboekje klassieke talen voor de brugklassers van het City College, inmiddels overgenomen door een twintigtal Limburgse scholen vertelt Vonk trots, oogt aantrekkelijk en kleurrijk. De gebezigde taal is eenvoudig en concreet en het boekje behandelt praktische onderwerpen. ""Als de leerlingen het lezen en schrijven onder de knie hadden en genoeg wisten van de Griekse literatuur, gingen ze niet meer naar de grammatistes, kitaristes of paidotribes, maar oefenden zich in het gymnasium. Daar konden ze zich trainen in diverse sporten'', introduceert de brochure de voorgeschiedenis van het gymnasium bij de jongste leerlingen. De verhaaltjes worden afgewisseld met kleine lesjes. Zinnetjes als ""Tantalus in Tartaro est'' dienen te worden vertaald. In de verklarende woordenlijst staat "in Tartaro' uitgelegd.