George Best

Ergens in een toneelstuk over Mozart zegt Salieri ongeveer het volgende: “Wat ik God werkelijk zeer kwalijk neem, is dat hij een zo geniaal talent heeft gestopt in het omhulsel van een zo walgelijk kereltje.” Een frappante opmerking en bovendien ongemeen juist. Ongeveer dezelfde woorden borrelen bij mij op nu ik een door George Best genspireerd boek aan het lezen ben. Best was een meesterlijk voetballer, de Stanley Matthews van Noord-Ierland, een ongekend, meeslepend dribbelaar, een technicus, een artiest. Maar een walgelijk mannetje. Zijn boek "The good, the bad and the bubbly' gaat een klein beetje over voetbal en een groot beetje over meiden versieren, vechten met concurenten en zuipen tot de vergetelheid zich over je ontfermt.

Best is alcoholist geworden, heeft een paar keer in de gevangenis gezeten, trok geweld aan. Ooit sloeg hij een volkomen vreemde een pint vol bier op zijn hoofd stuk. Hij had totaal geen idee hoe hij zijn leven moest inrichten en werd willoos in een maalstroom van negatieve publiciteit meegesleept. Want de krantenmensen wreven zich in de smoezelige handen als de kleine Noordier weer voor dito copy had gezorgd. Hij was op zijn vijftiende jaar al van Belfast naar Manchester gekomen, alleen en hulpeloos, ondergebracht in een van die Engelse pensions, waar de muren op je afkomen. Zijn toeverlaat in die eerste voetbaljaren was Sir Matt Busby, de grote man van Manchester United. Een echte vaderfiguur en hij heeft zijn best gedaan met Best, maar die wilde, behalve voetballen, uitsluitend twee dingen: achter de wijven aan en zuipen. Het is een wonder, dat hij, achterin de dertig, nog steeds zo bekwaam speelde. Hij heeft nog eens tegen het Nederlands elftal gespeeld, niet meer als pijlsnelle buitenspeler, maar als aanvallende middenvelder. Het was nog steeds een genoegen zijn vakbekwaamheid te aanschouwen.

Als het dan eens even niet over zijn slaapkameravonturen gaat, kom je een stukje tegen over zijn verhouding tot Busby. George beklaagt zich dat hij lang niet zoveel verdient als Bobby Charlton en Denis Law, terwijl Charlton over zijn hoogtepunt heen was en Law zelfs geen vaste plaats meer in het eerste elftal had. Best kreeg zijn zin niet en toen hij eiste dat hij tot aanvoerder zou worden gebombardeerd, zei Sir Matt dat hij voor die positie verantwoordelijkheidsgevoel miste. Antwoord: “Maak me aanvoerder en ik zal verantwoordelijkheidsgevoel tonen.” Maar Busby durfde dat niet aan, hoe graag hij Best ook voor United wilde behouden. Charlton en hij waren te braaf voor de wilde man uit Belfast. Niemand kon hem in toom houden.

Zo komt hij uit dit boek te voorschijn als een zielige figuur. Niet zo zeer omdat hij door zijn geld is heen geraakt - hij kocht ooit twee Jaguars op dezelfde dag om ze veertien dagen later in te ruilen voor twee Rolls Royces. Hij had een fantastisch leven kunnen hebben maar staart ons nu aan van de boekomslag als een 46-jarige, bijna-verlopen man, wiens ooit zo drieste lach en lichtende donkere ogen verworden zijn tot een karikaturale grijns. Je mag daar geen krokodilletranen om vergieten. Tenslotte heeft George Best het zichzelf aangedaan. Maar jammer blijft het. Vooral ook, omdat dit boek niet de sfeer ademt van iemand die willens en wetens zijn leven heeft geleefd zoals hij prettig vond. Hij lijkt er nauwelijks van genoten te hebben. Het overkwam hem gewoon.