Europa zou serieuzer moeten zijn

Europa stuit op problemen bij zijn streven naar een rol in het vredesproces in het Midden-Oosten. Het streven naar prestige is weliswaar een natuurlijke impuls, maar niet altijd de meest overtuigende. Als de leiders van de Europese Gemeenschap werkelijk een positieve en respectabele rol willen spelen buiten de grenzen van de twaalf lidstaten, moeten zij gezamenlijk hun huiswerk doen en ervoor zorgen dat zij geen slecht voorbereide missies op pad sturen. Bovendien moeten zij niet toelaten dat één of twee lidstaten het scenario voor een Europese agenda opstellen. Een geheime partijpolitieke motivatie kan onmogelijk een degelijke basis vormen voor ambitieuze expedities.

Dit is niet kwaadaardig bedoeld, maar het is mijn conclusie nadat ik weer eens een voorbeeld van de ongelukkige ervaringen van Europa met het Midden-Oosten heb geobserveerd. Wat er gebeurde tijdens het bezoek van de "troika' - dit keer samengesteld uit een Portugees, als voorzitter van de Gemeenschap, een Nederlander, als voormalige voorzitter, en een Brit als toekomstige voorzitter (vanaf 1 juli aanstaande), is uiterst instructief. De delegatie bestaande uit deze drie heren kwam in maart voor besprekingen naar Kairo, Jeruzalem en Amman. De delegatie werd verondersteld uit professionals te bestaan, niet uit politici, en de drie waren inderdaad ervaren diplomaten, die echter niet allemaal even tactvol waren.

Al voor hun komst en uit de gesprekken in Israel tijdens het korte bezoek van de delegatie bleek duidelijk dat de sponsors van deze missie twee belangrijke doelstellingen in gedachten hadden: er bij de Israelische regering op aandringen hun bezwaren te laten varen tegen een actieve deelname van Europa aan de Werkgroep voor regionale veiligheid en wapenbeheersing - onderdeel van de multilaterale gesprekken die in januari in Moskou begonnen - en Israel overhalen vertegenwoordigers van de Palestijnse diaspora deel te laten nemen aan deze en andere werkgroepen, in het bijzonder aan die over de vluchtelingen. De kwestie van Palestijnse deelname is gecompliceerd wegens de fundamentele en ideologische consequenties voor de huidige Israelische regering. Als er op een gegeven moment een verandering optreedt in de koers en het beleid van Israel, zal er zeker een formule kunnen worden gevonden voor Palestijnse deelname, speciaal aan de Werkgroep over vluchtelingen, zonder dat daarbij Israels politieke en veiligheidsbelangen in het geding komen.

De ontwikkeling die als het irritantst werd ervaren, had te maken met Europa's verlangen deel te nemen aan de Werkgroep voor regionale veiligheid en wapenbeheersing die op 11 mei in Washington is gepland. Men zou verwachten dat de leden van de delegatie voor zo'n serieuze aangelegenheid de presentatie van hun zaak tegenover een onwillige gesprekspartner goed hadden voorbereid. De drie diplomaten hadden allemaal al eerder boodschappen overgebracht aan een sceptisch gehoor. Zouden zij, in andere gevallen, ooit zomaar met de deur in huis zijn gevallen en hun argumenten slechts hebben gebaseerd op de eis van Europa? Hebben zij hun eigen geloofsbrieven en de staat van dienst van hun landen met betrekking tot vitale kwesties zoals wapenleveranties aan landen in het Midden-Oosten wel grondig bestudeerd?

De indruk bestond dat er van dat proces van doornemen van alle facetten en het neutraliseren van alle penibele kwesties überhaupt geen sprake was geweest. Het Britse lid van de delegatie maakte dan ook de indruk dat hij op het witte paard van Lord Kitchener van Khartoum zat, terwijl Britse handen wat betreft wapenleveranties aan het Midden-Oosten verre van schoon zijn. Om maar één voorbeeld te noemen: de Britten wilden geen toestemming geven voor enige wapenleveranties aan Israel, terwijl een dergelijke regel niet geldt voor Saoedi-Arabië.

Als er een serieuze poging was gedaan een objectief pleidooi te houden voor Europese betrokkenheid bij de Werkgroep in Washington, zou zelfs een Likoed-regering moeilijk hebben kunnen weigeren. Zowel Shamir als minister van Buitenlandse Zaken, Levy, zijn zich terdege bewust van Israels banden met Europa, en de drie heren hadden, door een wijzere benadering, veel meer kunnen bereiken dan nu het geval is geweest. De leiders van de Gemeenschap hadden bijvoorbeeld, als ik even een boosaardige suggestie mag doen, eerst de delegatie naar Londen en Parijs kunnen sturen en pas nadat de ergerlijke elementen uit de Britse en Franse opstelling waren verwijderd naar het Midden-Oosten. Maar het is misschien aanmatigend om dat te verwachten. Toch realiseren de Europeanen zich ook dat de Verenigde Staten niet staan te juichen over hun actieve bemoeienissen met het vredesproces in het Midden-Oosten, ook al zullen de Amerikanen zich wel drie keer bedenken voordat zij dat zeggen. Want ook zij hebben, af en toe, de steun van Europa nodig bij enige aspecten van dit proces.

Niettemin is er een redelijk compromis mogelijk als zowel Europa als Israel hun beleidsposities zuiveren van oneigenlijke overwegingen die weinig te maken hebben met regionale veiligheid en wapenbeheersing. Europa behoort deel uit te maken van de structuur die er hopelijk eens in het Midden-Oosten wordt gevonden voor vrede en wapenbeheersing. Maar Europa moet zich realiseren dat de voorwaarden voor deelname onpartijdigheid en eerlijk spel zijn. Als de Gemeenschap nog eens een poging onderneemt over deze kwestie een vruchtbaarder dialoog te voeren met Israel, moeten de Britten zich minder verwaand en de Fransen zich minder arrogant opstellen. De anderen zouden er goed aan doen serieuzer te zijn. Men zegt dat de Israeli's uitgenodigd zijn voor besprekingen in Lissabon om Europa's deelname, die afhangt van Israels instemming, te vereenvoudigen. De leiders van de Gemeenschap moeten zich geen illusies maken en hun drie vertegenwoordigers instrueren de Israelische delegatie tastbare garanties te bieden, zodat een acceptabel compromis kan worden uitgewerkt.