Een onverstaanbare Beckett, op een goedkope pluchen lap

Voorstelling: Een vrouw. Tekst van Samuel Beckett, script Annemarie Prins en Sophie Kassies. Regie: Annemarie Prins. Spel: Reinout Bussemaker, Ella van Drumpt, Carla Hardy, Michiel Weidner (cello). Decor: Trudi Maan. Kostuums: Willy Smits. Gezien: 27/4 in Frascati, Amsterdam. Nog te zien aldaar t/m 9 mei.

Er ligt een oranje-roze tapijt op de grond, van het spul waar goedkope spreien van worden gemaakt. Erop een man en een vrouw en een cellist. Aan de rand staan wat eigenaardig geglazuurde vazen en een tweede vrouw. Wat doen ze daar? Ik weet het niet. De man en de vrouw roepen flarden tekst, ze repeteren en herhalen zinnen, ze fluisteren, soms geven ze een gil, ze praten in de microfoon en hun stem wordt vervormd. Soms zijn een paar zinnen verstaanbaar. Soms lijken ze elkaar tekst te horen, meestal niet. Ze lopen verder wat heen en weer, gaan er eens bij liggen, ijsberen - alles zonder duidelijke verband met de tekst en zonder duidelijke bedoeling ten opzichte van elkaar.

De cellist strijkt geregeld over zijn instrument. Af en toe plonkt hij krachtig op de snaren en kijkt er astrant bij. Dit zal wel helemaal Beckett zijn. Of helemaal Annemarie Prins.

Waarom wil iemand tekst van Beckett gebruiken en tegelijkertijd alles op alles zetten om te voorkomen dat je die tekst zult verstaan of begrijpen? Is Annemarie Prins bang dat als ze iemand vraagt om verstaanbaar te spreken Beckett dan lelijk door de mand zal vallen? Dat hij opgesierd moet worden met loopjes en gilletjes en stemmetjes, dat hij in stukjes en mootjes gehakt moet worden om zoiets als "dramatische spanning' op te roepen? De eerste helft van de voorstelling heeft de bezoeker ruimschoots de gelegenheid zich zulke dingen af te vragen, want op het de pluchen lap gebeurt niets zelfs maar vagelijk interessants.

Dat verandert als de tweede vrouw, Carla Hardy, het tapijt betreedt. Tussen haar en de eerste vrouw ontstaat wel iets, al is niet goed te zeggen wat. De twee vrouwen reageren op elkaar, hun bewegingen suggereren een gevaarlijke verliefdheid, of een aantrekkingskracht die ook heel goed in iets anders kan omslaan. Helaas blijft de tekst onverminderd onverstaanbaar, en krijgen al die bewegingen weinig bedoeling of vervolg.

De voorstelling heet Een vrouw. Die vrouw, dat zal vrouw 1 wel zijn, wordt vol overgave gespeeld door Ella van Drumpt. Eerst staat zij in relatie tot een man en vervolgens tot een vrouw. Best. Komen wij iets over haar te weten? Nee. De tekst die ze uitspreekt (gedeeltes uit Teksten zomaar nr. 4 en 8, of misschien heeft ze ze wel helemaal voorgedragen, dat valt niet uit te maken) is beklemmend en vraagt zich veel af: “Waarheen zou ik gaan, als ik gaan kon, wie zou ik zijn, als ik zijn kon, wat zou ik zeggen, als ik een stem had, wie praat er zo, bewerend dat ik het ben.” Van Drumpt zegt het vele keren. Geen een keer krijgt het betekenis.