Een noodlottig zakendineetje

In kloeke krijtstreep en op glimmend gepoetste brogues - het oog van de rechter wil misschien ook wel eens wat - presenteert de heer C.

Verhaart zich aan de politierechter te Lelystad. Maar de rechter, mevrouw mr. I. Olland, is een grijze dame die in haar carrière al zo veel verdachten heeft zien komen en gaan dat ze niet ogenblikkelijk in bezwijming geraakt bij de aanblik van deze perfect gesoigneerde zakenman. Want dat is Verhaart: zakenman - en dat wil hij wel weten ook.

Verhaart heeft een poosje geleden zijn auto bestuurd met een ademalcoholgehalte van 865 microgram, hetgeen bijna viermaal zoveel is als toegestaan.

“Hoe kwam dat zo?” vraagt de rechter.

Verhaart steekt welbespraakt van wal, bijna op keuveltoon. Het klinkt alsof hij aan het hoofd van de vergadertafel zit, op maandagmorgen, samen met de salesmanagers die hij weer eens pittig de wei in gaat sturen. Beetje vervelend karwei, maar ach, straks is er lunch en dan kun je weer op je eigen niveau praten. O ja, waarom hij te veel gedronken had?

Nou, kijkt u eens, het was die avond nogal laat geworden, zakendineetje begrijpt u, je zit in wezen pittig te onderhandelen, maar toch moet de sfeer ontspannen zijn, en dus laat je een goed flesje wijn opentrekken, en daarna, alle tough decisions achter de rug, neem je nog een paar biertjes met enkele goede collega's, je heft het glas op de goede afloop, zie het als een soort afreageren van de spanningen, want het blijft een jachtig bestaan, dat van de internationaal georiënteerde zakenman, en er was ook verder niet zoveel aan de hand geweest, ware het niet dat hij op weg naar huis een sanitair stopje had moeten maken, en terwijl hij daar stond, het heft weer geheel in eigen hand en genietend van de koele avondlucht, schoof zijn onbeheerd achtergelaten Daimler van het talud af, oeps, die rakker, en daar was toen een agent op afgekomen en die had wat aan hem geroken - ik hoop dat ik zo volledig ben, maar als u nog wat wilt weten, kunt u dat altijd vragen.

“Wat is uw beroep?” vraagt de rechter.

“Directeur.”

“Ja, dat zeggen er zoveel. Waarvan precies?”

“Van een internationale verkooporganisatie.”

“Waar werkt u?”

“Op kantoor in Arnhem.”

“En wat verdient u?”

“190.000 gulden per jaar.”

“Daar kunt u dus wel eventueel een chauffeur van betalen als het tot een rijontzegging mocht komen?”

“Nou nee, mevrouw, want ik moet veel rijden in de Benelux, en dat zou wel erg kostbaar worden.”

“En net zei u dat u op kantoor zat?”

“Jawel, maar ik moet daarnaast toch erg veel rijden voor de zaak.”

“U woont in Lelystad en u werkt in Arnhem?”

“Ja, ik ga elke dag op en neer.”

“Waarom heeft u op die bewuste avond geen hotel genomen?”

“Ik heb toen een verkeerde beslissing genomen.”

“Zoals u het brengt”, moppert de rechter, “denk ik: dit kan de volgende keer ook weer zó gaan.”

De officier van justitie, mr. A. Speijers, wil weten wat de verdachte boven het hoofd hangt als hem een rijontzegging wordt opgelegd.

“Dan heb ik een probleem”, zegt Verhaart. “Dan staat mijn baan op de tocht. In mijn organisatie moet ik frequent contacten met mijn medewerkers en ik moet snel aanwezig zijn bij relaties. Het is een Amerikaans bedrijf, die kunnen hard zijn in dit soort kwesties.”

De officier schudt het hoofd. “Het is weer eens het verkeerde probleem op het verkeerde bordje. U zult toch wel eens vaker vernomen hebben dat drank en rijden niet samengaan? Er wordt de laatste tijd allerlei agressieve anti-drankreclame gemaakt voor de automobilist, maar u laat niettemin uw medeweggebruikers grote risico's lopen. Dan hoor je eigenlijk even niet op de weg thuis. Maar meneer is een first offender, dus er zit nog enige rek in de strafoplegging. Ik eis negen maanden voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid en een geldboete van 6.000 gulden.”

De advocaat van Verhaart noemt het een genuanceerde eis, maar toch vraagt hij om vrijspraak. Met de kaart in de hand probeert hij aan te tonen dat het incident met de auto zich niet binnen de gemeentegrenzen van Lelystad heeft voorgedaan, zoals de dagvaarding vermeldt. En dan zegt de advocaat iets waar hij nog heel lang spijt van zal hebben en dat hem, straks op de stoep van het gerechtsgebouw, ongetwijfeld op een reprimande van Verhaart zal komen te staan. Hij zegt: “Een ontzegging van de rijbevoegdheid ligt voor een directeur natuurlijk anders dan voor een gewone werknemer. Zo'n directeur kan zijn werk niet meer goed doen.”

Als er een kroonluchter boven hem had gehangen, zou de officier er ingesprongen zijn om van daaruit kokende olie over de advocaat uit te gieten. Zijn proletarische woede maakt de zaal opeens angstig klein. “Het maakt geen bliksem uit of het hier om een directeur gaat of om een dienaar aan de poort”, schreeuwt hij. “Het gaat erom of hij zijn baan kwijt raakt.”

De advocaat mompelt geschrokken iets terug, maar zijn woorden gaan verloren in het stof van zijn toga.

“Ik ben iets minder boos op u”, zegt de rechter tegen de advocaat, “maar ik wil er wel even op wijzen dat een directeur ook meer verantwoordelijkheid draagt.”

Zij stelt het vonnis uit omdat zij eerst meer wil weten over de plaats van het incident: wel of niet in Lelystad.

“Je zult nu wel spijt hebben van je eis”, plaagt ze de officier nadat de verdachte en diens advocaat zijn vertrokken.

Hij knikt, nog steeds een beetje bleek van drift.

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.