Ecologische ”revolutie' stuit op ambtenarij

Naar een duurzame economie; duurzame ontwikkeling als economische strategie voor Nederland Auteurs: Tuur Mol/Bert Scholtens.Uitg. Milieudefensie, Amsterdam, 1991, 148 pagina's

In ”Naar een duurzame economie' bestuderen macro-econoom Bert Scholtens (Universiteit van Amsterdam) en milieusocioloog Tuur Mol (Landbouw Universiteit Wageningen) wat de konsekwenties zijn van het streven naar een duurzame ontwikkeling voor de economie van ons land. Het hanteren van het bruto binnenlands produkt (BBP) als maatstaf voor het wel en wee van onze economie achten de schrijvers in dit verband geen goed uitgangspunt: “Wat het BBP immers niet in beschouwing neemt, is de verdeling van de produktie, de ongelijke ruil tussen Noord en Zuid, de onbetaalde arbeid en de kwaliteit van de produktie (waaronder m.” Ook het gebruik van een ”groen' bruto nationaal produkt, waarin milieu-effekten zijn verdisconteerd, lost volgens hen weinig op. Liever zien zij dat meerdere indicatoren worden gebruikt om de ontwikkeling van de economie te evalueren. Het blijft anders appels met peren vergelijken.

Expliciet pleiten de schrijvers voor een ruime opvatting van het begrip ”duurzame ontwikkeling'. Niet alleen de bescherming van het milieu zou in dit begrip tot uitdrukking moeten komen, maar ook zaken als sociale en economische rechtvaardigheid op nationale en mondiale schaal: “Duurzaamheid betekent ook dat de ontwikkelingsmogelijkheden in minder ontwikkelde landen hetzelfde dienen te zijn als in industrielanden en dat (inter)nationale sociaal-politieke spanningen zoveel mogelijk moeten worden weggenomen.”

Wat betreft de bescherming van het milieu vertrekken de schrijvers bij vier scenario's die de laatste tien jaar in dit verband zijn ontwikkeld: het zogenaamde CE-scenario van het Centrum voor Energiebesparing, twee scenario's uit het Nationaal Milieubeleidsplan en een referentiescenario van Economische Zaken. Daarnaast bekeken Mol en Scholtens enkele plannen voor de sector landbouw.

De verwezenlijking van deze scenario's zouden betrekkelijk weinig consequenties voor de economie als geheel hebben. Maar de scenario's gaan wat betreft de recente inzichten in de milieuproblematiek lang niet ver genoeg: geen van deze scenario's voldoen aan de milieucriteria die in het in 1988 gepubliceerde, toonaangevende RIVM-rapport ”Zorgen voor Morgen' worden gehanteerd. Zou er een beleid worden gevoerd dat wel aan de milieucriteria van ”Zorgen voor Morgen' voldoet, dan zouden een aantal sectoren, zoals de landbouw en de chemie, fors moeten krimpen.

Minder milieubelastende sectoren zoals de dienstensector en de reparatiesector zouden dan de mogelijkheid moeten krijgen om extra te groeien. Het begrip ”duurzaamheid' zou moeten bepalen welke sectoren moeten krimpen of groeien. Bovendien zou naast de ”selektieve krimp en groei'-gedachte ook het begrip ”ecologische modernisering' als leidraad voor het streven naar een duurzame economie kunnen dienen. Met dit concept worden technologische maatregelen bedoeld om het produktieproces minder vervuilend te laten verlopen.

Optimistisch dat de economische herstructurering snel plaats zal vinden, zijn de schrijvers niet. “Duurzaamheid is weliswaar het uitgangspunt in het regeerakkoord, maar in de praktijk komt er nog maar weinig van terecht.” Mol en Scholtens trekken de vergelijking met de sociale modernisering, zoals die in het begin van deze eeuw heeft plaatsgevonden. Een lange periode van strijd ging daaraan vooraf. Hetzelfde verwachten zij ten aanzien van de ecologische herstructurering. Net zoals de sociale modernisering kan duurzame ontwikkeling alleen op mondiale schaal worden bereikt. Bovendien valt te vrezen dat de omschakeling naar een duurzame economie, net als de sociale modernisering, nooit helemaal gerealiseerd zal worden.