Duisenbergs kruistocht tegen potverteren

Voor president W.F. Duisenberg van De Nederlandsche Bank blijft de daling van het financieringstekort heilig, groeivertraging of niet. Dat zegt hij in een gesprek met deze krant. Over het beleid van partijgenoot en minister van financiën Wim Kok is hij dik tevreden.

President W.F. Duisenberg van De Nederlandsche Bank wil niets weten van de suggestie van premier Lubbers dat het financieringstekort van het Rijk een jaar lang niet hoeft te dalen. De tegenvallende economische groei maakt dat uitstel volgens Lubbers plausibel. “Die redenering volg ik niet”, zegt Duisenberg in een vraaggesprek met deze krant.

Een strenge Duisenberg houdt Lubbers een spiegel voor: “Ik heb in de jaren van conjuncturele meevallers en topconjunctuur niet gemerkt dat de regering ten aanzien van het tekort wat extra's wilde doen”. Overigens is Duisenberg “verheugd” dat het kabinet Lubbers/Kok tot dusver met succes vasthield aan de doelstelling het tekort volgens het afgesproken tijdpad terug te dringen. “Ik hoop vurig dat ze deze trend zullen doorzetten”, zegt hij.

Tezelfdertijd is de president van De Nederlandsche Bank voorstander van een verlichting van de lastendruk, in het bijzonder van een verlaging van de btw. “Ik vind het zeer gewenst om tegendruk te geven aan de oplopende inflatie”, zegt hij, “maar daar hangt wel een prijskaartje aan. Dat betekent: nog meer ombuigen.”

Het kabinet wil voorlopig op de departementale uitgaven niet meer dan 1,4 miljard gulden bezuinigen. Wat is volgens u noodzakelijk?

Duisenberg: “In de Miljoenennota 1992 zat inderdaad nog een gat van niet opgevulde bezuinigingen van 1,4 miljard gulden. Daarnaast zijn er wat men noemt "reële dreigingen' met betrekking tot de EG, de asielzoekers en Oost-Europa. Om toch op het gewenste tijdpad van het tekort te blijven, moet er dus structureel ruim 5 miljard gulden worden omgebogen. Stel je boekt daarnaast voor lastenverlichting 2 tot 2,5 miljard gulden. Dan kom je, inclusief de bezuinigingen die nodig zijn in de sociale sector, uit op een totale ombuigingsproblematiek die de acht miljard gulden te boven gaat. Dan spreek ik een groot woord gelaten uit, maar dat blijft de problematiek.”

Maar waar kun je na de tussenbalans nog redelijkerwijs bezuinigen?

Duisenberg: “Wat de aard van de bezuinigingen betreft: daar kunnen wij ons niet in mengen.”

Vergeleken met een jaar geleden is Duisenberg nu opmerkelijk positief over het beleid van zijn partijgenoot en minister van financiën W. Kok. Bij de presentatie van het jaarverslag van De Nederlandsche Bank over 1990, in april 1991, zei hij nog dat hem “de schrik om het hart” sloeg, verwijzend naar de ontwikkeling van het financieringstekort. Dat was in de twaalfmaandsperiode tot en met maart 1991 gestegen tot 6,75 procent van het nationale inkomen, terwijl de norm voor dat jaar 4,75 procent was. De doelstelling voor 1994 - een tekort van 3,25 procent - zou “nooit worden gerealiseerd als wij ons niet eerst uit het drijfzand van 1991 ontworstelen”. Nederland kampte volgens Duisenberg met “een fundamenteel probleem in onze samenleving”: de andere EG-landen brachten hun publieke financiën wèl op orde, wij niet.

Van minister Kok en de regeringspartijen CDA en PvdA kreeg Duisenberg indertijd weinig bijval; PvdA-woordvoerder Melkert beschouwde diens analyse zelfs als een "misvatting'. Gelukkig lijkt de wereld een jaar later compleet veranderd. Nu constateert Duisenberg dat Nederland in 1991 een van de weinige EG-landen was waar het tekort in 1991 daalde.

Duisenberg: “In Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, België en ook weer in Italië gingen de tekorten omhoog. Alleen in Nederland zitten we op het gewenste tijdpad naar het goede doel dat de Europese Monetaire Unie vereist: een tekort van maximaal 3 procent van het bruto binnenlands produkt, dat is 3,5 procent van het nationaal inkomen”.

Was uw waarschuwing - het “drijfzand van 1991” - achteraf beschouwd niet wat voorbarig? Het tekort is vorig jaar niet uit de hand gelopen, zoals u in april vreesde. Integendeel: het bleef zelfs ruim beneden de doelstelling, ondanks de afzwakkende conjunctuur.

Duisenberg: “Nou, het tekort ging vorig jaar in maart en april sterk omhoog door incidentele factoren. Daarna kon het echter weer dalen door de tussenbalans (waarover het kabinet het eind februari 1991 eens werd, red.). Die bevatte maatregelen die deels al in 1991 effectief werden. Vooral in de lastensfeer, helaas... Tegenover 1,5 miljard gulden aan bezuinigingen stonden lastenstijgingen van 3 miljard, en die gaven een extra impuls aan de inflatie”.

Pag.18: Duisenberg: grilligheid in verloop schatkist sterk gegroeid

U noemt de ontwikkeling van het tekort nu “verheugend” maar waarschuwt dat “de grilligheid in het verloop van 's Rijks schatkist sterk is toegenomen”. Is dat verwijt aan Kok gericht?

Duisenberg: “Die grilligheid is al veel langer aan de gang. Ontvangsten worden naar voren gehaald, uitgaven worden tijdelijk weggeschoven”.

Koks voorganger, CDA-minister Ruding, was daar een meester in.

Duisenberg: “Ja. De Nederlandsche Bank heeft de afgelopen jaren gewaarschuwd, bijna geklaagd, dat het inzicht en doorzicht in de Rijksfinanciën steeds moeilijker wordt. Door die opeenstapeling van kasschuiven, primacheques en andere incidentele maatregelen. Het begrip "primacheques' - ik weet nauwelijks wat dat is, nu ja, het naar voren halen van belastingbetalingen, soms met één dag - dat is van de laatste twee, drie jaar. Ik ben nu over de structurele trend van het tekort zonder reserve positief, maar het is moeilijk om erdoor heen te kijken”.

De Nederlandse economie is in 1991 weliswaar blijven groeien, maar de groei is fors afgenomen. Bent u voor de rest van dit jaar en voor 1993 optimistisch?

Duisenberg: “We hopen dat Nederland uit het conjuncturele dal aan het opkrabbelen is. De eerste tekenen zijn er, al blijf ik voorzichtig. De conjunctuurindicator van De Nederlandsche Bank, die een maand of drie, vier vooruit kijkt, laat nu al een paar maanden geen verdere daling zien. Ook de keer ten kwade in de werkloosheidscijfers, die vorig najaar optrad, lijkt weer beëindigd”.

Monetair beleid

In het jaarverslag over 1991 beschrijft Duisenberg hoe het geldbeleid van De Nederlandsche Bank in de jaren tachtig werd ondergraven door de liberalisering van de geld- en kapitaalmarkten. Schotten tussen nationale markten vielen weg. De "liquiditeitsquote' - geldhoeveelheid (contant geld plus direct opvraagbare tegoeden) als percentage van het nationaal inkomen - fungeerde dertig jaar lang voor De Nederlandsche Bank als het centrale ijkpunt voor het monetaire beleid. Die tijd is voorbij. Toevallig - of niet? - viel die verandering samen met de wisseling van de wacht op het Frederiksplein, in 1981.

Duisenbergs voorganger J. Zijlstra noemt in zijn recentelijk verschenen Memoires de beheersing van de geldschepping de “voor De Nederlandsche Bank meest gewichtige taak”. Zijlstra: “Over het jaar 1990 bedroeg het nationaal inkomen 460 miljard gulden. Dat bedrag brengen wij in verband met de totale geldhoeveelheid (eind 1990 244 miljard). De geldhoeveelheid is in mijn voorbeeld 50 procent van het nationaal inkomen. (...) Wanneer wij nagaan of er te veel of te weinig geld in omloop is, moeten we naar dat cijfer kijken. In mijn tijd namen we aan dat 40 procent een keurig cijfer zou zijn”.

Keurig voor de jaren zeventig, maar niet voor de jaren negentig? Of was het geld- en kredietbeleid te ruim, vooral in 1985-1991 toen de geldhoeveelheid fors groeide?

Duisenberg: “Zijlstra's boek heet niet voor niets Memoires. Toen had je nog financiële grenzen. Die zijn er nu niet meer. Wij hebben het oplopen van de liquiditeitsquote bewust aanvaard. Dat kon ook, want de afgelopen jaren was er een central bankers paradise. De inflatie was laag, zelfs bijna nul, en de koers van de gulden was stabiel. Hij keek om en zag: het was welgedaan, zou ik bijna zeggen”.

“Ik herinner me nog heel goed, net toevallig in de tijd dat ik aftrad als minister, in 1977, dat de liquiditeitsquote steeg naar, uit mijn hoofd, 38 procent. De Nederlandsche Bank voerde toen een kredietrestrictie in: de kredietverlening door de banken werd aan banden gelegd. Maar ook destijds was het al zo dat als bijvoorbeeld Philips van de Amrobank te horen kreeg: sorry, we kunnen je even niet helpen, Philips zou zeggen: nou, da's jammer, we zullen 'ns even met de Deutsche Bank gaan praten. Nu is dat de normaalste zaak van de wereld, toen was het nog de uitzondering op de regel die gedoogd kon worden.

“Het voeren van een onafhankelijk geldhoeveelheidsbeleid is nu vrijwel onmogelijk. Daarom grijpt De Nederlandsche Bank nu, noodgedwongen, pas in als er langdurig liquiditeiten afvloeien naar het buitenland. Het bankwezen kan dan worden verplicht tot het aanhouden van renteloze kasreserves bij de Bank. Als alle landen dat nou precies zo zouden doen, dan zouden we allemaal mooi met elkaar in de pas lopen.

“Inmiddels zit de liquiditeitsquote boven de vijftig procent. Maar dan moet ik er wel bij zeggen, dat zie je overal in Europa. Dit is geen specifiek Nederlands verschijnsel. Al zie je vooral in kleine landen dat de invloed van de internationale geldstromen het grootst is, en in Duitsland het kleinst.”

Als overal in Europa de geldhoeveelheid sneller toeneemt dan het nationale inkomen, waar blijft dat geld dan in 's hemelsnaam? En waarom heeft al dat geld in de jaren tachtig de inflatie niet aangewakkerd?

Duisenberg: “Omdat de omloopsnelheid van het geld duidelijk afnam. We hebben geconstateerd dat het liquiditeitsbezit bij bedrijven fors toenam. De Nederlandsche Bank heeft vorig jaar via een enquête onderzocht hoe dat kon en waarom men dat deed.

“Welnu, het winstherstel was zo sterk dat niet alleen de investeringen konden stijgen en de vermogensverhoudingen verbeterden, maar ook konden meer liquiditeiten worden aangehouden. En het bedrijfsleven gebruikt het geld als buffer voor onvoorziene omstandigheden, of voor het geval de banken de kredietkraan - net als in het begin van de jaren tachtig - dicht zouden draaien. Een beperkt aantal bedrijven gebruikt het geld om eventueel andere ondernemingen over te nemen. Belangrijk is ook dat het aantal bedrijven in 1985-1990 met 20 procent toenam: meer schakels in het economisch proces vergen nu eenmaal meer geld”.

De Duitse last

Dat brengt ons op de invloed van de Bundesbank op het Nederlandse rentepeil. Omdat de gulden sinds 1985 zit vastgeklonken aan de D-mark bleef de Nederlandse rente, hoewel de inflatie hier tot bijna nul daalde, uitzonderlijk hoog. Staan tegenover de baten van de Europese monetaire eenwording niet tevens forse kosten?

Duisenberg: “De reële rente was in de tweede helft van de jaren tachtig inderdaad hoog. Maar je kunt tegelijkertijd nauwelijks een periode aanwijzen waarin de investeringen zo snel zijn gegroeid. De economische groei was in die jaren heel behoorlijk. In welke termen moet je dan de kosten uitdrukken?”

In het jaarverslag stelt u vast dat, zolang er nog niet één Europese munt is, de kleinere landen wel kunnen meedoen met de monetaire coördinatie, maar niet kunnen meebeslissen. Ze kunnen nu nog slechts "meepraten'.

Duisenberg: “We beslissen allemaal nationaal. Het is de praktijk van het leven dat ze in Frankfurt nu nog in sterke mate beslissen met het oog op wat er in Duitsland gebeurt. Ik hoor weleens het verwijt dat Nederland op nationaal niveau wordt gedwongen om in dezelfde richting mee te beslissen, in dezelfde richting als Duitsland, of we dat nu leuk vinden of niet. Maar het leven is nu eenmaal niet anders”.

De EMU

In het jaarverslag schrijft u over de route naar een Europese Monetaire Unie dat er “veel moet veranderen om haar tegen het eind van dit decennium (...) mogelijk te maken”. Wordt de EMU, met één centrale bank en één Europese munt, vóór het jaar 2000 geen realiteit?

Duisenberg: “Aan de criteria die in het concept-verdrag zijn vastgelegd - beperk de inflatie, de overheidstekorten en de overheidsschuld - voldoen we nog lang niet, en niet alleen Nederland. Kijk maar naar onze zuiderburen, met een overheidsschuld van 130 procent van het nationaal produkt, terwijl de Europese norm 60 procent is. Nederland zit op 80 procent. Er moet nog een heleboel gebeuren, en dan is er niet zoveel tijd meer”.

U schrijft bovendien dat de "convergentie', waarmee al een begin had moeten worden gemaakt, in feite stagneert.

Duisenberg: “De inflatiecijfers in Europa zijn weliswaar naar elkaar toe gegroeid, maar wel naar een niveau van gemiddeld meer dan vijf procent. Er is wel convergentie, maar op een te hoog niveau. En wat de overheidstekorten betreft: die dalen in veel Europese landen niet, maar stijgen - Nederland vormt een uitzondering. In Duitsland was de begroting twee, drie jaar terug nog praktisch in evenwicht. Nu is er door de uitgaven voor de hereniging een tekort van boven de vier procent, dat bovendien stijgt”.

Is er niettemin reden voor hoop dat Europa weer de goede kant op gaat?

Duisenberg: “Ja, een goede hoop of soms enige wanhoop. Voor Nederland is het zonder meer mogelijk. Dat is geen hoop tegen beter weten in. Duitsland kampt met heel specifieke problemen. Ik ben ervan overtuigd dat de Duitse discipline de komende jaren zal gaan doortikken. In Engeland is het tekort sterk conjunctureel bepaald. In België boekte men een paar jaar vooruitgang, maar met het verkiezingsjaar trad er, om het maar vriendelijk te zeggen, enige stagnatie op. Italië durf ik niks over te zeggen”.

Rentenieren in België

U citeert in het jaarverslag secretaris-generaal Geelhoed van het ministerie van economische zaken die in zijn nieuwjaarsartikel schreef dat het bij de EMU niet alleen gaat om de convergentie van overheidstekorten en inflatie, maar om een veel verdergaande en bredere convergentie.

Duisenberg: “Als verschillen in fiscale en sociale stelsels mensen en kapitaal in beweging brengen, en stel dat je dat eigenlijk niet wilt, dan moet je je stelsel aanpassen. Ik zou niet uit Amsterdam willen verhuizen. Maar stel, ik heb een winkel in de P.C. Hooftstraat, en ik verkoop die winkel. Laten we zeggen - de P.C. Hooftstraat is niet niks - dat ik er een miljoen aan over houd. Dat geld is voor mijn oude dag en ik koop er keurig van meneer Kok staatsobligaties voor. Dat levert een inkomen op van ruwweg honderdduizend gulden per jaar.

“Dan moet ik in Nederland ongeveer de helft aan de belasting afdragen, en in België 20 tot 25 procent. Zo'n verschil is voor mensen een reële overweging om te zeggen: ik vertrek. Ik constateer dat NRC Handelsblad nu in België bezorgd gaat worden. Zijn het allemaal Belgen die uw krant lezen? Als dat zo is vind ik het prachtig...”

U concludeert dat de verschillen in collectieve lasten “met name in en door Nederland” moeten worden verkleind. Moeten de buurlanden niet bijdragen om de verschillen te overbruggen?

Duisenberg: “Ik ben ervan overtuigd dat de markt de noodzakelijke harmonisatie van belastingen en sociale premies zal afdwingen. Door goed overleg kan het verschil van twee kanten worden overbrugd. Er zijn tal van zaken: de inkomstenbelasting, de vermogensbelasting, de successierechten. In Duitsland wordt binnenkort een bronheffing op rente-inkomsten ingevoerd, België en Frankrijk kennen die al langer. Nederland kent zoiets niet. In Duitsland is de pensioenpremie niet fiscaal aftrekbaar, maar wordt ook over het pensioen geen belasting geheven. In Nederland zijn de premies wel aftrekbaar maar betaal je over de uitkering ook belasting. Maar de grenzen vervagen, en zo moet het ook”.

Oost-Europa

Het IMF, dat brengt ons op Oost-Europa. Het Fonds moet bij de herstructuring daar en in de voormalige Sovjet-Unie een onmisbare rol spelen. Lukt dat ook?

Duisenberg: “Tot dusver droeg de besluitvorming over Westerse leningen, vaak onder garantie van de Europese Gemeenschap, te veel een ad hoc karakter. Voor die garanties zijn geen voorzieningen getroffen. Een gemeenschappelijke visie ontbreekt. Het probleem met de landen van de voormalige Sovjet-unie is dat het Gemenebest van Onafhankelijke Staten nauwelijks bestaat. Met soms absurde gevolgen. Zo wordt er een fonds van zes miljard dollar gevormd om de roebel te verdedigen. Maar nu lees ik in de krant dat is besloten dat de roebel maar moet zweven!

“De noodzakelijke herstructurering zal een proces van heel lange adem zijn. Voor de opbouw van een markteconomie is vooral technische hulp nodig. Maar ook moet een eigen financieel stelsel worden opgebouwd, met wetten, instellingen en ten slotte markten. Het betalings- en verrekensysteem moet goed functioneren, anders blijven particuliere investeringen uit het buitenland uit.

“Binnen het IMF vertegenwoordigt Nederland nu niet alleen Bulgarije en Roemenië, maar ook de Oekraïne, Moldavië en, door tussenkomst van Sjevardnadze, ook Georgië. Een enorm land als de Oekraïne heeft, door de beperkte betekenis van de buitenlandse handel, binnen het IMF weinig stemrecht: 0,7 procent, tegen Nederland 2,4 procent”.

Bij het toezicht op het bankwezen worden de Nederlandse regels langzaam vervangen door Europese. En ook op monetair gebied verdwijnt de speelruimte voor een nationale aanpak als sneeuw voor de zon. Bent u wellicht de laatste president van een echte Nederlandsche Bank?

Duisenberg: “Het is maar wat u verstaat onder "echt'. In de toekomst is er in Europa slechts ruimte voor één monetair beleid. Maar het toezicht op de financiële instellingen blijft, net als de verzorging van de circulatie van bankbiljetten”.

Maar als De Nederlandsche Bank steeds meer een bijkantoor van de toekomstige Europese Centrale Bank wordt, zal dan het gezag van de president van De Nederlandsche Bank niet navenant dalen? Als u nu iets zegt over het overheidstekort haalt u de voorpagina's. Zal dat over tien jaar nog zo zijn?

Duisenberg: “Het gezag door de één wordt vervangen door het gezag van de ander. De overheid zal aan Europese criteria moeten voldoen, als de kritiek dan komt van de Europese Centrale Bank...”