"Die van het gymnasium' zijn blasé en gewoon lastiger

Het leraarschap is niet louter grauwheid en verbittering. Menigmaal valt de docent nog het echte Theo-Thijssen-gevoel ten deel, de intense voldoening mee te maken dat jonge mensen verder komen. Er zijn zelfs momenten van geëxalteerde vreugde. Jaren geleden, aan het eind van een lange schooldag, zaten mijn leerlingen vol overgave hun Griekse zinnetjes te schrijven. Opeens smolten de millennia ineen: hier zaten scholieren te doen wat tweeduizend jaar geleden jongetjes al deden in de Griekse scholen van het gehelleniseerde Egypte. Hun woordenlijstjes en schrijfoefeningen zijn op papyri teruggevonden. Als zij hun Griekse paideia hadden voltooid, vormden zij old-boys-clubs en tooiden zich met het trotse predikaat, "die van het gymnasium', hoi apo tou gymnasiou'.

Ik ben geen echte ho apo tou gymnasiou: als er niet een lyceum in de buurt was geweest, had ik waarschijnlijk mulo gedaan. Het zou bij mijn ouders niet zijn opgekomen hun zoon uit het Haagse Laakkwartier naar de andere kant van de stad te sturen, naar het statige Haganum aan de Laan van Meerdervoort. Zo'n school was niets voor "ons soort mensen'. Komt het door deze achtergrond dat mijn houding tegenover het categoriale gymnasium ambigu is?

Ik haast me toe te geven dat het zelfstandige gymnasium niet meer de sociale-eliteschool is uit de dagen van olim. Net zoals bij de rotary en de vrijmetselaarsloge ontbreekt de arbeiderszoon/dochter niet. En binnen een generatie wordt de drempel van het gymnasium geslecht: een klasgenote, lyceïste dus als ik, heeft haar kinderen heel bewust naar de klassieke burcht van 's-Gravenhage gestuurd.

Sociaal exclusief is het aparte gymnasium gelukkig niet meer, maar het veronderstelt wel ouders die heel bewust kunnen kiezen. Men moet het onderwijsstelsel kennen - dat wordt duidelijk uit het "stuurgedrag' van mijn klasgenote of van "Agnes' in Vrij Nederland, die een zoon op een Amsterdams gymnasium heeft.

Roomt een school die selecteert op educatief besef bij de ouders, niet de grote onderwijsmarkt af, op een manier die voor een democraat ontoelaatbaar is? Uit zulke overwegingen zijn enkele socialistische onderwijswethouders erop uit, alsnog het Kemenadisch onderwijsparadijs in hun provinciestad te scheppen: zij pogen het stedelijk gymnasium, als Latijnsche School eeuwenlang uitdrager van de Nederlandse burgercultuur, te versmelten met de superscholengemeenschappen. Men kan zich afvragen of zij het publieke onderwijs niet inopportuun verzwakken in zijn competitie met de bijzondere scholen. Het stedelijk gymnasium is misschien het enige instituut dat het ideaal van "onverdeeld naar de openbare school' heeft waargemaakt. De argumenten voor de fusiebeweging kunnen echter niet eenvoudig worden weggewuifd (pikant is wel dat de lokale politici blijken te behoren tot de goed opgeleide groep die zijn kinderen naar het stedelijk gymnasium stuurt). Ik heb nog een paar bedenkingen voor hen vanuit mijn academische waarnemingspost.

Studenten die hun leraarsstage op een stedelijk gymnasium lopen, hebben het vaak moeilijker dan hun collega's in de scholengemeenschappen. Die grotere zwaarte is niet alleen terug te voeren op de doorgaans omvangrijker klassen: de gymnasiastjes zijn gewoon lastiger. Velen zijn overal geweest en hebben alles al meegemaakt. In hun geblaseerdheid kunnen zij het de (beginnende) docent knap moeilijk maken. Ze zijn ook soms zo permissief opgevoed dat ze sociale vaardigheden eenvoudig missen. Met hen vergeleken vormen de schoolse leerlingen van een streekschool een heel wat dankbaarder object voor de pedagoog. Ooit probeerde een school in Emmen sollicitanten lekker te maken door te wijzen op de gezeggenlijke aard van haar leerlingen, “wat vooral voor een beginnend leraar aantrekkelijk is”...

Niet alleen als didacticus heb ik twijfels. In mijn rol van studie-adviseur ben ik belast met het ronselen van studenten voor onze studierichting klassieken en als zodanig heb ik iets opgemerkt. Ieder jaar zijn er maar enkele classiculi die van categoriale gymnasia komen, terwijl de helft van het onderwijs klassieke talen op die scholen wordt gegeven. Blijkt hieruit dat de keuze van leerlingen op de scholengemeenschappen voor Grieks/Latijn bewuster is? Hebben zij meer motiverende leraren die creatiever zijn, in de strijd om het bestaan van hun vakken en van henzelf?

De kwantitatieve bloei van de gymnasia betekent niet zonder meer kwaliteit. Een gegeven: bij de vertaling Grieks en Latijn, de vorm van het centraal eindexamen die tot 1990 gold, behaalden leerlingen van de categoriale gymnasia gemiddeld een vol punt minder dan hun klassieke kornuiten van de scholengemeenschappen. Schoolcijferaars weten dat een punt een schokkend groot verschil is.

Een van mijn oud-studenten heeft mij nu echter afgeholpen van mijn twijfels. Zijn redenering liep ongeveer zo: “Waarschijnlijk is het gemiddelde niveau van onze leerlingen lager dan dat in VWO-afdelingen van scholengemeenschappen. Maar wij brengen toch maar veel leerlingen tot en met het VWO-examen in de gymnasiale variant. Binnen een scholengemeenschap zouden velen na de brugklas het veiliger havo-spoor hebben genomen. Of ze zouden bij de eerste de beste tegenslag surplusvakken als Grieks en Latijn hebben laten vallen. De scholengemeenschap is onderhand te zeer een supermarkt geworden, waarin ieder zich bedient naar zijn gading en al te makkelijk een ander gangpad neemt. Doordat leerlingen bij ons in een aparte school zitten, ontstaan er wederzijds goede mechanismen: de leerling geeft niet te vlug op en wij laten hem/haar niet gauw gaan.”

Toen deze visie werd uiteengezet, dwaalden mijn gedachten af naar het Nijmegen van de jaren zestig. Daar was toen ongeveer de helft van de studenten bursaal, terwijl het landelijk gemiddelde op dertig procent lag. Deze "democratisering' werd bereikt door een onbedoeld emancipatie-instrument, het priesterseminarie. Al generaties lang heerste er in het Brabantse en Limburgse land een traditie dat minstens een zoon "op studie' was. De seminaries gaven niet gauw de potentiële priesters op. Zo wisten ze velen tot een behoorlijke graad van ontwikkeling te brengen, hun bijvoorbeeld Grieks en Latijn te leren. Het succes van hun ontwikkelingswerk bleek toen de seminaries openspatten en de ex-seminaristen naar Nijmegen stroomden.

Het zou een goed ding zijn als het "contract'-denken van die seminaries en van de categoriale gymnasia zich verbreidde. Met simpele middelen, oorkondes en predikaten, is al veel te bereiken. Vanaf dit jaar kunnen scholen voor voortgezet onderwijs aan leerlingen die het gymnasiumprogramma hebben gevolgd een diploma geven dat zich in niets onderscheidt van wat "echte' gymnasia uitreiken: een terechte beloning voor leerlingen die gewoon meer hebben gedaan in hun schoolloopbaan. Tegen de trend in groeperen steeds meer scholengemeenschappen leerlingen in het brugjaar in een "gymnasiumklas': men ontdekt weer - vaak in vinnige concurrentie met het nabije gymnasium - wat de waarde is van het projecteren van verwachtingen op leerlingen: jullie moeten nu ook waarmaken dat jullie gymnasiasten zijn.

Categoriaal gymnasium én gymnasiumstroom van de scholengemeenschap hebben een complementaire functie als meest eisende sector van het voortgezet onderwijs. Laat daarom beide bloemen groeien: het Nederlandse onderwijslandschap wordt er alleen maar fleuriger door.