De vlucht

Een van mijn vriendinnen deelde mij vandaag per telefoon mee dat zij het plan heeft opgevat voor een literair onderzoek naar Napels te gaan. Napels! Ik juich haar plan toe - Italië in de lente, wat wil een schrijver nog meer? - maar zodra ik de hoorn heb neergelegd, begint zich tegen de binnenkant van mijn voorhoofd een film af te draaien:

Wij zijn - liftend - op huwelijksreis. Bij tolhuisjes, op bruggen, rotondes en bergpassen stappen we van de ene truck-met-oplegger over op de andere. Aanvankelijk met schroom en onhandige bewegingen, maar naarmate we verder buiten de invloedssfeer van het burgerlijke raken, met een zeker bravoure: we horen bij de zwervenden, wij zijn ondanks de glimmende ring aan onze vinger het echte avontuur. We zitten in hoge cabines, slapen in louche pensions langs de snelwegen die naar het zuiden leiden en converseren in allerlei talen over steeds weer hetzelfde: het land van herkomst, de zeden, het voedsel, de staat van het wegdek en automerken. Het huwelijk (de vrouwen wachten thuis met de kinderen, de hoeren doen hun werk naar behoren en de Maagd Maria bungelt aan een touwtje aan de achteruitkijkspiegel) komt ook niet zelden aan bod. Het feit dat wij pas een paar dagen getrouwd zijn vertedert zelfs de stoutmoedigste, de brutaalste, de zich het minst aan de regels houdende vrachtwagenchauffeur. Hij denkt mijn spijkerbroek en t-shirt weg en hult me in de witte kanten sluier die het ongerepte lichaam bedekt, hij knipoogt over mijn hoofd heen naar de man die, in zijn fantasie, nog maar zo kort geleden die sluier aan flarden heeft gescheurd.

We zijn op weg naar Napels. En achter Napels wacht ons het hete Calabrië, en daarachter het nog hetere Sicilië. Maar het is niet zozeer de hoge temperatuur alswel een ander soort broeierigheid die zich van onze historische reis meester maakt.

We dringen per liftauto door tot aan de baai, tot aan de plek waar de veerboten afvaren naar Ischia. Maar wij willen de stegen van Napels in, de nauwe straatjes waarin de waslijnen van de ramen aan de ene kant naar de ramen aan de overkant zijn gespannen en volhangen met lappen, bloezen en doeken die bij iedereen en daarom bij niemand lijken te horen. We willen de handelslui en matrozen zien lonken naar de vrouwen die vis en bloemen en zichzelf verkopen. We willen O sole mio horen zingen tot diep in de nacht.

We worden in ieder verlangen bevredigd. In de stegen hangt zoveel wasgoed te drogen dat we er nauwelijks onderdoor kunnen lopen, er wordt tot diep in de nacht gezongen en er wordt gelonkt. Maar dat niet alleen: er wordt alom op het lonken ingegaan, handen worden op de heupen van andermans vrouw gelegd, vreemde monden kussen elkaar. Tot er een verkeerd woord valt, tot een blik vertroebelt of verscherpt, tot met Napolitaanse heftigheid de jaloezie losbreekt. Flessen vliegen door de lucht, er worden blinkende messen getrokken op het plein in het hart van de oude binnenstad en de vrouwen die vis en bloemen en zichzelf verkopen vliegen elkaar aan, sleuren elkaar aan het lange haar over straat. De mannen kijken toe, lachen - zeker van hun zaak - in hun vuistje en wij, wij slaan voor zoveel hartstocht op de vlucht in de richting van de baai, in de richting van de uitvalsweg naar het zuiden.

Vanaf nu tot aan onze terugreis is er van een romantische roes weinig sprake meer. Wat ten noorden van Napels nog amusant was en af en toe vertederde, is ten zuiden van Napels lachwekkend en een uitdaging tot gevaar. Jonggehuwden, ha! die hebben nog heel wat te leren! Op de eenzame Autostrada worden ons voorstellen gedaan, helemaal gratis en voor niets worden ons onderkomens aangeboden, quasi-achteloos toont men een pistool. En wij maar praten, wij maar vertellen over de elfstedentocht, onze prinsessen in hun koets van goud, de roodwitblauwe tulpenvelden, de jenever en de kaas. Vooral geen argwaan of angst tonen, vooral niets provoceren, zeggen we op onze huwelijksreis wel tien keer per dag tegen elkaar.

De Straat van Messina brengt geen bevrijding. We besluiten Sicilië te doorkruisen in personenauto's, vrachtwagens laten we voorbijgaan. Maar een personenauto, al is hij van het duurste merk, is geen enkele garantie. Integendeel, de gladgeschoren eigenaars lijken doelloos rond te rijden op zoek naar wat afleiding en zijn op een dwingende manier bereid ons naar plaatsen te brengen waarheen we niet willen; waarheen we, als we over eigen vervoer hadden beschikt, nooit zouden zijn gegaan. Nu, bijna vijfentwintig jaar later, kan ik nog altijd de sfeer oproepen van lange ritten door een volstrekt onherbergzaam landschap, van een onrustige, in dichte mist gehulde vulkaankrater, van dorpen waar in het zwart geklede vrouwen gebukt gaan onder zware takkenbossen terwijl de armoediggeklede mannen gemene zaak maken met de goedgeklede heer achter het stuur aan wiens moraal wij in de hete verlatenheid zijn overgeleverd.

Napels. Het is maar een naam. De naam van de stad waar mijn vriendin in de geschiedenis zal gaan graven ten bate van de literatuur maar waar ik op de vlucht ben geslagen, liftend, lopend, rennend. Jonggehuwd op de vlucht voor de man.