Wet erfrecht leidt tot familieruzies; Welk stelsel men ook kiest, het hangt helemaal af van de goede of kwade wil van de langstlevende of er goederen voor de kinderen overblijven

In zijn bijdrage van 18 april over het toekomstige versterferfrecht, dat is het erfrecht dat geldt als er geen testament is gemaakt, poogt mr. Korthals Altes voorstanders voor het regeringsvoorstel te winnen door aantoonbaar in strijd met de waarheid te poneren dat het verzet van de notarissen tegen dat wetsvoorstel gebaseerd zou zijn op hun zin voor eigen "gemak'; eigenbelang dus. Een dergelijk effectbejag verdraait de feiten en doet onrecht aan het belang van de zaak.

Waar gaat het om? Enerzijds hebben we het voorstel van de minister en anderzijds een voorstel gelanceerd door de Nijmeegse hoogleraar en notaris prof. mr. M.J.A. van Mourik. In afleveringen van de laatste maanden van het Weekblad voor Privaatrecht, Notariaat en Registratie, hèt vakblad voor deze materie, kan men lezen dat de wetenschappers en de praktijk het wetsvoorstel verwerpen en kiezen voor het systeem-Van Mourik. Die wetenschappers zijn hoogleraren notarieel recht, schrijvers van dè toonaangevende handboeken over erfrecht, terwijl de mensen van de praktijk degenen zijn die dagelijks het erfrecht beoefenen: de notarissen. Maar ook anderen, zoals het lid van de Raad van State mr. J.M. Polak in zijn publicatie in het Nederlands Juristenblad, keren zich tégen het regeringsontwerp en kiezen vóór dat van Van Mourik.

Het voorstel Van Mourik komt erop neer dat de langstlevende echtgenoot de enige erfgenaam is van de goederen van de nalatenschap. De kinderen krijgen hun "erfdeel' als geldvordering, die bij het overlijden van de langstlevende opeisbaar is. Dit systeem wordt thans bij de notaris steeds gekozen: testamentaire ouderlijke boedelverdeling.

Het voorstel van de minister wil hetzelfde bereiken plus een recht van de kinderen op "affectiegoederen'(met een affiniteitswaarde). De commotie zit in de wijze waarop de minister dit doel wil bereiken en in het daaruit blijkende gebrek aan realiteitszin van de wetsontwerper.

Het wetsvoorstel houdt het volgende in: De langstlevende wordt erfgenaam voor een kindsdeel en vruchtgebruiker van de gehele nalatenschap, terwijl de kinderen erfgenaam worden. Een mooie maar onrealistische constructie. Immers wil een vruchtgebruik iets voorstellen, dan moet het vermogen wel enige omvang hebben: ruim zeventig procent van de nalatenschappen omvat minder dan ƒ 40.000, terwijl ruim vijftig procent de ƒ 10.000 nog niet haalt. Dat vruchtgebruik heeft praktisch voor de langstlevende dus geen betekenis als bron van inkomen om van te leven. De wetsontwerper heeft daar iets op gevonden: de langstlevende mag de vruchtgebruiksgoederen te gelde maken. Dat zijn dus goederen ten aanzien waarvan de kinderen erfgenaam, zogeheten bloot-eigenaar, zijn. Vandaar ook dat de kinderen zich tegen een dergelijke handelwijze kunnen verzetten door een beroep op de rechter te doen. De beste familieverhoudingen komen zo onder druk te staan: ''Moeder, wat doe je met de spullen? Moeder, dat zijn we niet met je eens!'' Een zenuwslopende verhouding dreigt zo te ontstaan. Er moet binnen één jaar na het overlijden een notariële (!) boedelbeschrijving en -waardering worden opgemaakt. Moeder gaat immers spullen beheren die mede van de kinderen zijn. Dan is het goed dat vaststaat wat er is. Vandaar deze dwingend rechterlijke voorgeschreven beschrijving en waardering: dat betekent kosten voor de langstlevende en de kinderen, voor het notariaat mogelijk een extra bron van inkomsten. Terecht is er bezwaar tegen deze wijze van geld verdienen. Voor de cliënt is elk voordeel afwezig. Het is in het grootste deel van de gevallen als het schieten met een kanon op een mug. Door het overlijden van de langstlevende eindigt diens vruchtgebruik en krijgen de kinderen de zaken uit de eerste nalatenschap "vrij'. Dat gaat ook op als de langstlevende inmiddels weer hertrouwd was, en dat zou dan hèt grote voordeel van het ministeriële stelsel zijn. Maar waar praten we over, gezien de hiervoor vermelde omvang van de modale nalatenschappen? En waarover als het betreft de aantallen hertrouwende weduwen en weduwnaars?

Dit ministeriële stelsel dient er met name voor om "affiniteitsgoederen' voor de kinderen veilig te stellen. De andere goederen mocht de langstlevende immers liquideren of opmaken (mits niet in strijd met de redelijkheid; big son and daughter are watching you! en kunnen zó bij de rechter hun beklag doen). Het gaat hier dus om gouden horloges, een stoel, een zegelring, spekstenen schaakstukken enzovoort.

Korthals Altes heeft het over die goederen, die in het systeem van de minister voor de kinderen niet, maar in het stelsel-Van Mourik wèl voor de kinderen verloren zouden gaan. In het systeem-Van Mourik is de langstlevende enige erfgenaam, en de kinderen hebben alleen recht op geld.

Het is klip en klaar, dat welk stelsel men ook kiest, het geheel afhankelijk is van de kwaad- of goedwillendheid van de langstlevende of er goederen voor de kinderen overblijven. De langstlevende-vruchtgebruiker kan alles feitelijk wegmaken: geen wet kan dit belemmeren. Bij zijn dood blijkt dat horloge weg te zijn of misschien al eerder, maar: weg is weg! Omgekeerd is het aan de langstlevende-enig-erfgenaam niet verboden affectiegoederen aan het betrokken kind te geven. In de praktijk zien we dat frequent gebeuren; los van de wijze waarop het erfrecht geregeld is. Ook kan hij of zij een testament of codicil maken.

Maar belangrijker: hoe hou je in een vruchtgebruikstelsel de goederen zo uit elkaar dat de betrokken kinderen bij het overlijden van de ouder zonder geschil de spullen kunnen krijgen? Dat kan alleen door een nauwkeurige boekhouding. In de praktijk gebeurt dat niet, want voor de meeste mensen is boekhouden geen normale bezigheid.

Bij de vermogens waar we het over hebben, komt men vanzelfsprekend zelden toe aan een nauwkeurige administratie van welke goederen of aandenkens afkomstig zijn uit welk vermogen. Zoek dat allemaal maar eens uit na vijftien, twintig of dertig jaar. Dat dit niet werkt ervaren we ook in het huwelijksvermogensrecht, als echtgenoten op gescheiden vermogens of in een beperkte gemeenschap (winst en verlies of vruchten en inkomsten) zijn getrouwd: aan het einde van de rit weet niemand meer wat van wie is. En dat betekent vaak oorlog.

De ingewikkeldheid van het regeringsontwerp is gelegen in het feit dat een ongeschikt systeem - vruchtgebruik - moet worden gedenatureerd om een doel te bereiken waar ook langs een veel eenvoudiger weg uit te komen is. De ingewikkeldheid van het systeem is géén probleem voor de notaris. Hij kan alles op papier uitvoeren. Maar het is een probleem voor de cliënt. Hij moet de notaris van de juiste gegevens voorzien en die zullen er nagenoeg nooit zijn; ja, een oude boedelbeschrijving, maar wat er verder met de spullen is gebeurd is veelal onbekend - tenzij de kinderen als tijgers achter moeder/vader hebben aangezeten en alles in de gaten hebben gehouden.

Het voorstel van de minister belooft te veel. Het toont aan dat de ontwerper te weinig idee heeft hoe de erfrechtspraktijk er werkelijk uitziet.

Vaak zal de zaak anders liggen als men te maken heeft met omvangrijker vermogens, met daarbij passende administratie. Maar dan praten we over tien tot twintig procent van de nalatenschappen, terwijl het versterferfrecht een voor de overgrote meerderheid van de gevallen soepel en eenvoudig werkbaar stelsel moet zijn - zonder de luxe van (notariële) rechtshulp, onnodige kosten enzovoort. Daaraan beantwoordt het systeem van de minister in het geheel niet; dat van Van Mourik wel.