Weinig enthousiasme voor herdenking uitroeping RMS

De Houtrusthallen in Den Haag hebben op 25 april, tij dens de jaarlijkse herdenking van de uitroeping van de onafhankelijke republiek de Zuid-Molukken (RMS) in 1950, wel eens voller gezeten dan afgelopen zaterdag. Het is een geheel voorspelbaar ritueel geworden: muziek, dans en toespraken van oude leiders. De pit lijkt er uit. Over de zo'n tien geleden ook op een RMS-herdenking aangekondigde Triple Alliance (een samenwerking tussen Molukkers, Papoea's en Timorezen) is nooit meer iets vernomen.

Ook dit jaar ging het gerucht dat het eindelijk zo ver was: de inmiddels 81-jarige "president-in-balingschap' van de RMS, ir. J.A. Manusama, zou zijn opvolger bekend maken. Het gebeurde niet en hij kon niet concreet vertellen hoe het RMS-ideaal na 42 jaar dichterbij zou moeten worden gebracht.

Het "nieuws' kwam dit jaar uit Arnhem, waar een tweede Molukse regering in ballingschap werd uitgeroepen onder aanvoering van H. Sounauwe. De plechtigheid trok slechts 50 enthousiastelingen. Deze groep, die voortkomt uit de Homeland Mission, heeft zijn hoop gevestigd op internationale erkenning door middel van lobbyen bij de Verenigde Naties, het Amerikaanse Congres en elders. In het verleden hebben vertegenwoordigers van Homeland Mission verschillende malen getuigenissen afgelegd voor de VN-Commissie voor de Mensenrechten. Veel spectaculairs heeft dat nooit opgeleverd. De nieuwe groepering onderscheidt zich ook van de RMS-beweging van Manusama door hun streven naar een onafhankelijke republiek die alle Molukse eilanden, dus ook de Noord-Molukken, omvat.

De aanhang van de groep Sounauwe is in Nederland niet erg groot. Volgens de nieuwe leider gaat het om 250 gezinnen onder de naar schatting 45.000 Molukkers hier. Hij put meer kracht uit het feit dat de groep op de Molukken "steeds meer aanhang krijgt'. Veel harde bewijzen daarvoor kon hij in Arnhem niet voor het voetlicht brengen.

In vergelijking met andere groeperingen in Indonesië die naar een groter mate van autonomie, dan wel onafhankelijkheid streven, hebben de Molukkers het nadeel dat in hun gebied geen gewapende strijd is of een actieve verzetsbeweging. Dat is bijvoorbeeld wel het geval bij de Oost-Timorezen, de Papoea's en de Acehers op Noord-Sumatra. Pogingen om de krachten tegen het centralistische bewind van Jakarta te bundelen zijn er wel geweest maar hebben tot nog toe weinig effect gesorteerd.

Binnen de RMS-beweging van Manusama was het vooral ir. P. Tatipikalawan die pogingen in het werk stelde de zaak van de bevrijding van de Molukken te activeren. Net als de groep Sounauwe verwijt ook Tatipikalawan de RMS-leiding in Nederland inertie. Een paar jaar geleden stelde hij een gefaseerd bevrijdingsplan op. Hij intensiveerde ondermeer de contacten met de bevrijdingsbeweging van Aceh, die guerillastrijders liet opleiden in Libië. Voor zover bekend hebben enkele van zijn medewerkers bezoeken gebracht aan Libië maar hebben Molukkers er nooit een militaire training ondergaan.

Tatitipikalawan kreeg van de RMS-top geen enkele medewerking. Hij besloot zo'n anderhalf jaar geleden het "kabinet' van Manusama, waar hij verantwoordelijk was voor veiligheidszaken, te verlaten. Hij richtte geen eigen groep op en bouwt nu in relatieve stilte verder aan zijn toekomstdroom.

Eén ding hebben alle Molukkers die streven naar een eigen Zuid- dan wel Groot-Molukse onafhankelijke republiek gemeen, er bestaat geen enkele hoop dat de Nederlandse regering iets kan bijdrage om het zelfbeschikkingsrecht te realiseren. De laatste wat geforceerde poging om de Nederlandse regering daartoe te bewegen waren de gijzelingsacties van het midden van de jaren zeventig.

De grote ontnuchtering die op die acties volgde, heeft veel Molukkers ertoe gebracht om voorlopig meer aan hun eigen maatschappelijke positie te denken dan aan de strijd om onafhankelijke republiek. Duizenden Molukkers, die inmiddels in overgrote meerderheid hun aanvankelijke, emotionele en politieke bezwaren tegen het Nederlanderschap hebben opgegeven, reizen jaarlijks voor een vakantie en familiebezoek naar de Molukken. De aanvechting om zich daarginds te vestigen en deel te nemen aan een eventuele nieuwe vrijheidsstrijd - die van 1950 was binnen enkele maanden in hun nadeel beslecht - is minimaal. Niet meer dan enkele tientallen oudere echtparen keren per jaar definitief terug naar hun geboortegrond om er hun laatste jaren te slijten.

De jaarlijkse herdenking van de uitroeping van de RMS is verworden tot een soort ongeïnspireerde reünie, die steeds meer jongeren aan zich voorbij laten gaan. Dat het op de Molukken tot een zelfde soort verzet komt als op dit moment in Aceh en op Oost-Timor lijkt niet zo groot, maar niet onmogelijk. De belangstelling van Molukse zijde voor de democratiseringsbeweging in Indonesië is opvallend afwezig. Aan het eind van de jaren zeventig tot halverwege de jaren tachtig heeft er wel zo'n groepje bestaan onder jongere Molukkers in Nederland - de zogeheten 20 mei-beweging die het blad Kora Kora uitgaf. Ook van deze beweging is al jaren niets meer vernomen.

Een tweede Molukse republiek in ballingschap, noch het oude, traditionele leiderschap van Manusama en zijn "kabinet' lijkt voorlopig iets te zullen veranderen aan de algehele malaise binnen de RMS-beweging in Nederland.