Van Zweden, Van Keulen: verschillende karakters

Concert: Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen. Dirigent: Gilbert Varga. Solisten: Jaap van Zweden, viool, en Isabelle van Keulen, altviool. Programma: Mozart: ouverture Die Entführung aus dem Serail, Sinfonia Concertante; Tsjaikowski: Symfonie nr. 2. Gehoord: 25/4 Grote zaal Concertgebouw, Amsterdam. Het Orkest van Vlaanderen is in andere programma's te horen op 24/5 in Amsterdam en 28/5 in Den Haag.

De violisten Jaap van Zweden en Isabelle van Keulen hebben van hun lerares Davina van Wely beiden de romantische viooltraditie meegekregen. Al jaren geleden zijn zij hun carrière begonnen en ze hebben zich ontwikkeld tot twee heel verschillende violisten. Terwijl Van Zweden met een extraverte warmte pronkt en zich vooral uitdrukt via zijn vibrato, is Van Keulens muzikaliteit ingetogener en verdeelt zij haar expressie evenwichtig over streek en linkerhand.

Gisteren speelden ze voor het eerst samen en in Mozarts Sinfonia Concertante waarin Isabelle van Keulen de altvioolpartij speelde, was goed te horen dat er over de interpretatie en de frasering duidelijke afspraken waren gemaakt. Een vondst was bij voorbeeld hun inzet van het Andante met een diminuendo in de opmaat waardoor de adem even stokte vóór de muziek in beweging kwam. Feilloos gelijk klonk hun triller aan het slot van de cadens en voortdurend gaven zij staaltjes weg van aanpassing en eensgezindheid. Toch ontstond er geen echte eenheid tussen de twee musici en leek het of Van Zweden met een opgevoerde motor de afslag naar de snelweg zocht terwijl Van Keulen in harmonie met haar voertuig en de uitgestippelde route soms voor echte vervoering zorgde.

Het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen zorgde voor een wat globaal klinkende begeleiding die helaas nergens uitgroeide tot een dialoog. Ook in Mozarts ouverture tot Die Entführung bleek dat het orkest onder leiding van Gilbert Varga alle extremen uit de weg gaat en niet getraind is in een heldere articulatie, terwijl die twee ingrediënten juist de charme vormen van deze ouverture. Het losbarsten van het slagwerk in de "Turkse muziek' werd beschaafd weggemoffeld en de door Mozart genoteerde afwisseling van forte en piano kon het ensemble niet verleiden tot fel en levendig musiceren.

In Tsjaikowski's weinig gespeelde Tweede "klein-Russische' Symfonie was aan het slot daarentegen het hek van de dam en ging het slagwerk hardhandig tekeer alsof het een inhaalmanoeuvre betrof. Keihard klonken de akkoorden aan het begin van de finale, en waar Tsjaikowski een lyrische melodie inzette, ontbrak alle warmte. Als een echte kapelmeester leidde Varga het orkest door alle hindernissen in de partituur zoals in het briljant syncopische Scherzo maar tot een interpretatie van dit werk wilde het niet komen.