Schade Amoco Cadiz na 14 jaar vergoed

PARIJS, 27 APRIL. Na een juridische strijd die veertien jaar duurde, smaakt Frankrijk - en in het bijzonder Bretagne - het genoegen van de overwinning. De Amerikaanse oliemaatschappij Amoco zal 200 miljoen dollar vergoeding betalen voor de schade die aan de Bretonse kust werd aangericht na de ramp met de olietanker Amoco Cadiz.

De supertanker met 230.000 ton ruwe olie leed op 16 maart 1978 schipbreuk een kilometer van de kust nabij Portsall in Bretagne. De Bretonse kust werd over 360 kilometer lengte vervuild met ruwe olie, de grootste ecologische ramp die zich hier ooit heeft voorgedaan. Het schoonmaken van de kust kostte de Franse staat 500 miljoen franc en 800 miljoen franc aan de negentig getroffen gemeenten.

De Franse staat en een syndicaat van de negentig gemeenten begonnen in september 1978 in de Verenigde Staten een procedure tegen Amoco. Het was de eerste keer dat een oliemaatschappij verantwoordelijk werd gesteld voor een dergelijke grote olieramp. De eis tot schadevergoeding bedroeg 1,3 miljard franc. Amoco maakte afgelopen vrijdag bekend dat het zich neerlegde bij de uitspraak van het federale hof van beroep in Chicago van 24 januari dit jaar. Dit hof kende een schadevergoeding van circa 210 mijoen franc aan de gemeenten en 930 miljoen franc aan de Franse staat toe.

De "overwinning van David op Goliath', zoals het in Bretagne heet, heeft een bittere bijsmaak.