HANS-DIETRICH GENSCHER; Duitslands onvermoeibare wereldreiziger

BONN, 27 APRIL. Bij de veronderstelling alleen al zouden vorige week nog zeer velen in en buiten Duitsland hartelijk hebben gelachen, maar het is nu een feit: na een record-ministersperiode van 23 jaar, waarvan de laatste 18 op Buitenlandse zaken, stapt Hans-Dietrich Genscher volgende maand vrijwillig op.

Na tien jaar valt het onmiskenbaar succesvolle duo Kohl/Genscher als kop van de centrum-rechtse regeringscoalitie in Bonn nu uiteen, en vermoedelijk op een ogenblijk dat zoiets kanselier Kohl helemaal niet zo goed schikt. Niet alleen bevindt die coalitie zich politiek, economisch en psychologisch in een heel moeilijke situatie, de stakingsgolf die juist vandaag door Wes-Duitsland is gaan rollen is er een illustratie van, maar ook moet Kohl nu eerder dan hij had gewild zijn kabinet gaan reconstruren.

De kanselier had al aangekondigd dat hij zoiets eind dit jaar wilde gaan doen. Nu Genscher volgende maand vertrekt, en ook de veelgekritiseerde minister Gerda Hasselfeldt (CSU, volksgezondheid) vanmorgen haar afscheid aankondigde wordt het moeilijk met de verbouwing van het kabinet te wachten tot eind 1992. Dat moet gebeuren terwijl de coalitie zucht onder de loodzware economische lasten van het Duitse eenwordingsproces, nu zij wegens haar financieel-economische en Europese politiek onder vuur van de media en zeer grote kiezersgroepen ligt terwijl de verstandhouding tussen de coalitiepartners weer eens door nerveuze spanningen wordt gekenmerkt.

Genscher is een instituut, zei FDP-voorzitter Otto graaf Lambsdorff vanmorgen in een reactie op het besluit van de man die al zo'n twintig jaar dé liberale vlaggedrager in Duitsland is. Hij overdreef niet. Meer nog: ook de FDP moet vrezen dat zij zonder haar electorale locomotief Genscher, die alweer jaren de populairste politicus van het land is, zware tijden tegemoet gaat. Of Genscher als “gewoon” Bondsdaglid, want dat blijft hij voorlopig, bij voorbeeld een onverminderd grote invloed kan hebben op het aanzwellende geveht in de FDP om het volgend jaar vrijkomende partijvoorzitterschap, is de vraag.

Een ander motief voor zijn afscheid dan dat hij na 18 jaar op Buitenlandse Zaken en vijf jaar op Binnenlandse Zaken ('69-'74) een punt achter zijn ministersloopbaar wil zetten heeft Genscher vanmorgen niet gegeven. Hij heeft zich niet beroepen op zijn slechte gezondheid - hij is al jaren hartpatiënt - en evenmin veel losgelaten over zijn toekomstige plannen. Wat niet belette, dat in Bonn vanmorgen natuurlijk direct veronderstellingen losgekomen dat Genschers stap ermee te maken heeft dat hij over anderhalf jaar kandidaat wil zijn voor de opvolging van bondspresident Richard von Weizsäcker (CDU) en zich daarom ruim van tevoren enigszins wil “deprofileren” in de politieke luwte. Tegen zulke veronderstelling pleit trouwens dat Genscher nog kort geleden categorisch ontkende bondspresident te willen worden.

Genschers biografie en de Duitse geschiedenis van de afgelopen 25 jaar, en vooral die van de laatste drie, kunnen mede een antwoord geven op zijn besluit om nu uit het eerste gelid van de actieve politiek te verdwijnen. De minister is niet alleen sinds midden jaren zeventig de architect van de Westduitse politiek jegens Oost-Europa geweest, hij is - met Kohl - ook dé man die het hoge tempo van het Duitse eenwordingsproces in 1989/'90 hielp afdwingen en die mét de Duitse eenwording in oktober 1990 ook zoiets als een persoonlijke levenscirkel sloot. Immers: de 65-jarige veteraan-minister is niet alleen afkomstig uit Oost-Duitsland, waar hij in 1927 bij Halle werd geboren, hij behoorde uitdrukkelijk nog tot die slinkende generatie Duitse politici voor wie de Duitse eenheid geen theoretische maar een wezenlijke doelstelling was. De vele collega's, van Sjevardnadze tot Baker, en van Hurd tot Dumas, die hij sinds 1989 trots meetroonde naar Halle, kunnen dat bevestigen.

Een kilometervreter met een voortdurend record aan afspraken in zijn overvolle agenda is Genscher in zijn ministeriële leven geweest. Zijn reis- en werkdrift, zijn voortdurende bezorgdheid als eerste man van de FDP over zijn plaats in de opiniepeilingen hebben de anecdote-trommel waar zijn naam op staat boordevol gemaakt. Het jachtige bestaan van de erkende workaholic aan de Adenaueralle in Bonn werd, al dan niet door amateurpsychologen, ook wel in verband gebracht met het feit dat Hans-Dietrch Genscher zich sinds de vroege jaren zestig als het ware in “zijn tweede leven” bevond. Toen hij de beide laatste oorlogsjaren als scholier nog luchtafweerschutter (Flak-Helfer) moest wezen, liep hij een ernstige, toendertijd nog inoperabele longkwaal op. In de twintig jaar die daarop volgden verbleef hij in totaal drieëneenhalf jaar in ziekenhuizen en sanatoria. Pas daarna kon, na een ten slotte wèl geslaagde ingrijpende longoperatie, de politieke loopbaan van de in 1952 naar West-Duitsland gevluchte jurist goed beginnen.

De figuur van Lazarus loopt ook overigens geregeld door Genschers carrière. Nadat hij zich als onmisbaar medewerker van zijn leermeester Thomans Dehler (een vroegere FDP-minister) vooral als een groot organisatorisch en administratief talent had doen kennen, ontpopte hij zich - ook wel onder druk van de toenmalige omstandigheden - na zijn aantreden als minister van Binnenlandse zaken als een uitgesproken “law-and-order”- man die leiding gaf aan gevecht van de toenmalige Bondsrepubliek en haar instituties tegen de grote , ook terroristische, buitenparlementaire oppositie. Zoals bijvoorbeeld de Rote Armee Fraktion. Een zwaar trauma voor deze Genscher is altijd de aanslag op de Israelische Olympische ploeg in München (1972) gebleven.

De volgende Genscher was de minister van buitenlandse zaken die, in 1974, onder en met SPD-kanselier Brandt de lijnen van een nieuwe Westduitse politiek jegens Oost-Europa begon te trekken. Een politiek die afrekende met de grondslagen van de jaren-Adenauer, en met “alleenvertegenwoordigingsclaim” van Bonn voor alle Duitsers. Een politiek dus ook die te vuur en te zwaard werd bestreden door de CDU van oppositieleider Helmut Kohl, die Genschers beleid overigens in de jaren tachtig ook het zijne moest maken.

Dat was nadat de volgende Genscher, na een jarenlang woedend rakettendenat in Duitsland, een snel verslechterende financieel-economische situatie en de verwijdering tussen kanselier Schmidt en zijn SDP, de FDP de steven liet wenden (de Wende, bij de SPD destijds ook wel omschreven als “het verraad van Genscher”) en de weg vrijmaakte voor een centrum-rechtse coalitie onder kanselier Kohl. Even was Genscher toen zo'n beetje de onpopulairste politicus van Duitsland, het moet een gruwelijke tijd zijn geweest voor een man die als eerste man van de FDP zijn persoonlijke aanzien verbonden wist met haar electorale overlevingskansen.

Sinds een paar jaar is niet Genscher veranderd, maar zijn Duitsland en de wereld anders geworden. De naamgever van het in de VS in de late jaren tachtig verfoeide “genscherisme”, de man die al heel vroeg opriep om Michail Gorbatsjov en diens hervormingsplannen serieus te nemen, was toen ook in Washington al als Lazarus opgestaan. Maar daarna, na de Duitse eenwording, kwamen nieuwe vragen op. In de coalitie in Bonn en in bevriende hoofdsteden in de Westelijke wereld. Vragen vooral naar Genschers concept in het nieuwe Europa, vragen als: wat wil het verenigde Duitsland behalve vriend met iedereen zijn, waar en waarheen wil het richting helpen geven, medeverantwoordelijkheid dragen? En niet alleen als het om de erkenning van Kroatië of Slovenië of weer een grote CVSE-bijeenkomst gaat?

Misschien zijn het wel vooral zulke vragen die Hans-Dietrich Genscher, nu de Duitse eenwording een feit is en de politiek-psychologische barometer in Bonn op zwaar weer staat, liever door een nieuwe man of vrouw laat beantwoorden.