Festival met vocale muziek Schnittke ovationeel succes

Concerten: Festival rond Alfred Schnittke's koorwerken, liederen en kamermuziek door Koor Nieuwe Muziek, Kamerkoor Nieuwe Muziek, Amsterdams Theater Kamerkoor, Kamerkoor Tegenstemmen en Ensemble Nieuwe Muziek o.l.v. Huub Kerstens en Tom Löwenthal. Gehoord 25/4 St. Nicolaaskerk, Amsterdam.

Josef Matthias Hauer haatte Wagner, hij vond dat een type "bordeelcomponist'. Tegenover diens effektsichere, schallende, gurgelnde, glucksende, krachende, säuselnde, kreissende Musikantentum plaatste hij een streven naar een eeuwige, onveranderlijke en absolute muziek.

Maar Schönberg wist het al: absolute reinheid bestaat niet en de Russische componist Alfred Schnittke maakte de utopie waar door beide werelden samen te voegen: muziek als narcotium (Wagner, Mahler, Sjostakowitsj) samen met muziek in een bovenpersoonlijke uitdrukking (Ockeghem, Bach, Webern). Schnittke componeerde in zijn Twee korte stukken voor orgel uit 1980 naar eigen zeggen “een stukje van de eeuwigheid”, maar in de opera Life with an idiot wordt de dramatische opbouw goeddeels bepaald door banale vormen als tango en wals. Maar heel vaak ook worden beide aspecten in één werk verenigd. Of anders gezegd: Schnittke's muziek graaft als het ware een kromme tunnel waarin catastrofale explosies de klanken alle kanten opjagen, maar als eenmaal de razernij is uitgewoed blijft een heimelijke, warme zachtheid over, op te vatten als een romantische schijn, wat het geheel er nog maar schrijnender op maakt.

In 1972 begon de componist aan een Pianokwintet ter nagedachtenis aan zijn overleden moeder, maar na het eerste deel stokte de inspiratie, er ontstonden slechts talloze varianten en schetsen, vervolgens ontwierp Schnittke thema's voor een instrumentaal requiem. Pas naderhand drong het tot hem door dat deze een uitgesproken vocaal karakter droegen en besloot hij ze te bewaren voor een latere, puur vocale uitwerking. Een gelegenheid deed zich voor met de opdracht voor de toneelmuziek bij Schillers Don Carlos, door Schnittke gehonoreerd met een requiemmis, uit te voeren achter op het toneel, onzichtbaar voor het publiek. Dit werk uit 1975, evenals de Tweede Symfonie "Sankt Florian' met ondertitel Missa invisibilis, weer zo'n voorbeeld van vocaal instrumentale inversie, is bij alle emotionaliteit even streng van opzet. Het stond zaterdagavond centraal op het tweede concert in het Schnittke Festival, gehouden in de Amsterdamse St. Nicolaaskerk. Zo'n honderdtal koorleden en dertig vocale en instrumentale solisten hadden zich in het weekeinde verzameld voor het vormgeven aan een aantal muzikale belijdenissen, want dat lijkt mij de beste omschrijving voor een belangrijk deel van Schnittke's koormuziek, het publiek reageerde met ovatie op ovatie.

In het requiem ontbreekt een Lux aeterna, maar het heeft een extra in een Credo, uitgesproken Schnittke-achtig, puur expressionistische muziek. Daarnaast treffen passages in een bovenpersoonlijke haueriaanse objectiviteit. Merkwaardig hoe de vibrafoon een vocale partij kan inkleuren, in een soort van zijdeglans tegen het kitscherige aan. Het eerste deel herinnert aan Arvo Pärt, maar meer nog spookt er de geest van Strawinsky rond, bijvoorbeeld in het Rex tremendae majestatis.

Vermeldenswaard naast gelegenheidsmuziek was voorts het bizar complexe Minnesang voor a capella-koor naar twaalfde- en dertiende-eeuwse minnezangers uit 1980-1981 voor 52 stemmen verdeeld over twaalf groepen: twee sologroepen, drie elk voor sopraan en alt en twee voor tenor en bas. Een archaserende muziek, alle groepen zetten in canonvorm in, aanvankelijk zacht en melancholiek, tot de tenoren losbarstten in hoge d's, die de luisteraar aan de houten kerkbank vastnagelen, een ongelooflijke ervaring.

Maar het absolute hoogtepunt vormde het epische, groots opgezette Concerto voor gemengde koren uit 1984-1985 naar teksten van de Armeense mysticus Gregorius van Narek, zondag uitgevoerd door het Projectkoor Utrecht en vrijdag en zaterdag ervoor in delen door het Koor Nieuwe Muziek. Een Concerto waarin leeuw en lam broederlijk naast elkaar liggen: de delen een en drie majesteitelijk, en de delen twee en vier lieflijk elegisch. Treffend zijn de instrumentale pedaalklanken (ook in het openingsdeel van het requiem) naast de weidse melodiebogen. De dalende lijn in de opening tesamen met een ostinatofiguur vormen het belangrijkste cement. De tekst spreekt onder meer over een orkaan van ongeloof die als een onstuitbare vloed over de zielen heen slaat, zo'n zinsnede is Schnittke wel toevertrouwd.

Samenvattend: Schnittke's koormuziek is indrukwekkend, maar maakt vergeleken met de instrumentale muziek een minder schrijnende indruk, dissonanten en clusters klinken gezongen nu eenmaal minder agressief, bovendien schuift de vocale muziek minder vaak in wringend contrasterende lagen over elkaar heen, want de contrasten vinden vaker een uitwerking in dialoogvorm.

Met het oratorium Nagasaki uit 1958 is het allemaal begonnen. Sovjet-realistisch van opzet, Schnittke kende in die tijd nog geen enkele Westerse avant-garde muziek, en deze gestiek kwam hem later goed van pas in Life with an idiot waarin de draak met deze stijl gestoken wordt en over inversie gesproken: niet zelden draagt daar een koorscène een duidelijk instrumentaal karakter. Het requiem en het Concerto kennen expressionistische momenten, maar zeker geen groteske, zoals in Life with an idiot.