DE TROTSE MACHT VAN HET WIJ-GEVOEL

Na een verwarrende periode van succesvolle solisten, nam het collectief ten einde raad in de klassiekercyclus het heft in handen. In de Amstel Gold Race raasde als in oude tijden in de frontlinie van het peloton de Post-trein. Het collectief zegevierde. Individualisme noch chauvinisme. Of het nu een Nederlander is, een Duitser, een Rus, een Belg of een Italiaan, als de ploeg maar wint.

Ruim nadat hij aan al zijn verplichtingen als winnaar van de Amstel Gold Race heeft voldaan, wordt Olaf Ludwig gefeliciteerd door Peter Post, zijn trotse ploegleider. “Goed gedaan, jongen.” De voertaal is een mengeling van gebroken Nederlands en gebroken Duits als de twee hun voldoening uitspreken. De Duitser zegt zijn overwinning voor een belangrijk deel te danken aan “Slava en Maurizio”, Ekimov en Fondriest zijn respectievelijk Russische en Italiaanse teamgenoot. Post knikt en lacht. De multinationale ploegtactiek van Panasonic heeft eindelijk gezegevierd.

Het parkeerterrein in Maastricht is al vrijwel verlaten wanneer een groepje mensen rondom de ploegleiders- en materiaalwagens nog nakaart. Er heerst een euforische stemming. Jan le Grand, sinds mensenheugenis mécanicien aan de zijde van Peter Post, heeft zijn truck volgeplakt met posters van Olaf Ludwig. Soigneurs worden omhelsd. Er wordt gerefereerd aan goede, oude tijden. Zo was het weer als vroeger. En de jonge assistent-ploegleider Theo de Rooy voelt zich gevleid door de opgeruimde houding van zijn baas. Hij is trots.

Post gunt het sportmensen als Ludwig. “Een echte professional. Altijd willen werken, altijd trainen. En veel kracht.” Een jongen naar zijn hart. Eén die in zijn Oostduitse verleden heeft geleerd wat ontbering is. Een droom is in vervulling gegaan voor de renner die op het moment dat de Muur viel, al alles (op de individuele wereldtitel na) had gewonnen wat er voor een amateur te winnen was. Toen hij in 1990 de kans kreeg professional te worden, bestond er voor hem maar één ploegleider, Peter Post. Onder hem wilde hij op dertigjare leeftijd nog wel aan zijn tweede loopbaan beginnen, ondanks zijn voor beginnende profrenners hoge leeftijd.

Twee jaar geleden ging zijn eerste droom in vervulling: hij won in de Tour de France een etappe en het algemeen puntenklassement. Zaterdag werd zijn tweede droom werkelijkheid: winst in een klassieker. Twee weken geleden, een dag voor zijn 32ste verjaardag, was Ludwig er dicht bij geweest. In Parijs-Roubaix werd hij tweede, na een weliswaar indrukwekkende maar mislukte achtervolging op Duclos-Lassalle. Indrukwekkend is zijn manier van fietsen altijd, vooral zijn manier van sprinten. Pure kracht. Zoals in de finale van de Amstel Gold Race, waarin hij als een ode aan de voormalige en zo weggehoonde DDR-sport met overmacht andere zich sprinters noemende renners hulpeloos achter zich liet.

Hoezeer Ludwig ook imponeerde, het was de overwinning van de ploeg, wilde iedereen in het winnende kamp weten. “Zelfs Fondriest loopt niet weg met een lang gezicht, omdat hij niet heeft gewonnen”, meent Post. “Die is zes weken hier geweest. Nou gaat hij een paar dagen terug naar Italië. En hij is gelukkig.” Dat zou hij vroeger niet geweest zijn, weet Post. Maar toen reed hij voor zichzelf. “Fondriest kende geen systeem. Net zoals Ekimov, die wist niet wist wat tactiek was. Het begint nu te komen.”

Een uur eerder was Fondriest haastig in de auto van pr-man Dirk Baert gestapt. Even de uitwisseling van felicitaties en dan snel op weg naar het vliegtuig, terug naar huis. De Italiaan staat te boek als immer strijdlustig, maar vooral als de vriendelijkste renner van het profpeloton. Altijd lachen. Maurizio Fondriest wordt wel het bindmiddel van de multinationale ploeg genoemd. Hij lachte nu wéér. “Ja, fijn dat we gewonnen hebben. Nee, niet teleurgesteld dat ik wéér niet heb gewonnen.” Hij had haast. Maar toch nog een wedervraag. “Wie heeft er achter mij gereden?” Het antwoord had hij niet eens afgewacht.

In Italië wordt smalend geschreven over Fondriest, als de man van zeven ton die nooit wint. Hij zal nu kunnen uitleggen dat hij in dienst van de ploeg rijdt, zoals Argentin voor Ariostea toen Furlan de Waalse Pijl won. Fondriest zal nu kunnen zeggen dat zijn streven om, sinds hij vorig jaar in dienst kwam bij Panasonic, van de ploeg een eenheid te smeden is geslaagd. Hij, de Italiaan die Frans leerde spreken, die zich in het Vlaams probeert uit te drukken, die van een team van Russen, Duitsers, Belgen, Italianen en Nederlanders een collegiale ploeg probeerde te maken.

Post geeft toe dat met name vorig jaar het taalprobleem een storende factor was. Zijn door de sponsor gestimuleerde interesse voor internationalisering, bood aanvankelijk geen sportief succes. De ploegleiders Planckaert en De Rooy hadden het er inderdaad moeilijk meegehad. Tussen 31 maart en 16 juni 1991 werd geen wedstrijd gewonnen. Pas in de Tour de France vertoonde de prestatiecurve een stijgende lijn. Het seizoen werd zelfs afgerond met een overwinning in het klassement voor de wereldbeker, zowel voor ploegen als individueel (Fondriest).

En dan het verschil in mentaliteit en het verschil in opleiding. Ook dat was een probleem geweest. Fondriest, een renner met de ouderwets Italiaanse inslag van een kopman. Ekimov, een renner uit het Sovjet-systeem, als tijdrijder en achtervolger bovendien een pure individualist. En dan Ludwig, ex-DDR, krachtpatser, 36 etappeoverwinningen in de Vredeskoers, tien jaar lang topamateur. “Die moest toen hij dertig was ineens anders leren koersen. Die heeft niet de opleiding gehad die elke neo-professional krijgt. En dan nu dit.” Op sommige dagen kan Post zijn bewondering voor zijn renners niet verbergen.

Het was dan ook loon naar werken geweest. De voorbereiding was pijna perfect. De ploegleiders hadden hun renners voortdurend gemaand de belangen van hunzelf en vooral van de ploeg in het oog te houden. “Maar als je tweede wordt, zoals vorig jaar met Fondriest, ben je wel de eeuwige loser. Het is toch een kwestie van geluk”, weet De Rooy. Maar op een of andere manier had hij dit keer een voorgevoel gehad. Zoals Ludwig vorige week in de Ronde van Aragon drie etappes won, waaronder een tijdrit met drie heuvels. “Dan voel je toch aankomen dat het Ludwig een keer moet lukken.”

Voor het erst sinds zeven jaar won geen Nederlander een voorjaarsklassieker. Maar of het nu Italianen, Belgen, Russen, Duitsers of Nederlanders zijn, het zal Post een zorg zijn wie er van zijn ploeg wint. “De organisatie wil zo graag een Italiaan als winnaar. Maar een Duitser is toch ook goed voor de erelijst?” Slechts drie Nederlanders telde zijn team in Nederlands enige klassieker, Van Orsouw, Hanegraaf en Bouwmans. Het waren niet meer dan waterdragers. Post heeft weleens gezegd dat hij met zijn ploeg rustig een Belgische licentie zou aanvragen als dat sportief zakelijk nodig zou zijn. Hij werkt immers voor de "firma' en niet voor het vaderland.

Voor welke firma hij over anderhalf jaar zal werken, weet Post nog steeds niet. Mogelijk dat het succes-op-de-valreep de interesse bij kandidaat-sponsors aanwakkert. Het zal geen "potten en pannen-winkel' zijn. Natuurlijk een multinational. “Wij willen op dezelfde voet verder. En denken op lange termijn, zoals we altijd hebben gedaan. We hebben niet voor niets een goede organisatie. En we hebben een jonge staf. De basis is er”, zegt Post zoals altijd als een goed manager de nadruk leggend op het wij-gevoel. “En we hebben toch een goed verleden. Niet alleen een overwinning in de Amstel Gold Race. Wij laten altijd zien dat we competitie willen. Strijd. Dat is onze reputatie.”