De ruil van het Laantje

In 1822 ruilde de gemeente Middelharnis een schilderij van Meindert Hobbema, voorstellende het Dorp van de Landzijde, met de Dordtse schilder Adrianus van der Koogh, die daarvoor twee schilderijen van eigen hand leverde: een verrukkelijk Geldersch Landgezigt, alsmede een kopie van het stuk van Hobbema, beide voorzien van een Kostbare vergulde Lijst.

De zaken die er toe deden werden met een hoofdletter geschreven en de toenmalige gemeenteraad wist heel goed dat twee meer is dan één. Van enig historisch, laat staan kunstzinnig besef, was bij de vroede vaderen geen sprake. De waarde van de Hobbema vertegenwoordigde niet veel meer dan de kosten van doek, verf en lijst.

De Schout die de ruil bewerkstelligde had het schilderij veertig jaar eerder voor 25 gulden en 10 stuivers gekocht, uit de nalatenschap van Theodorus Kruislander, oud-secretaris van de aanpalende gemeente Sommelsdijk, een vermogend man en kunstverzamelaar. Hij had het schilderstuk vermoedelijk in Amsterdam verworven. Het schilderij kreeg na zijn dood in 1782 een plaats in de schepenenkamer van het raadhuis. De historie vermeldt niet of Van der Koogh het schilderij direct na de ruil te gelde heeft gemaakt, maar dat hij het verkocht heeft, staat vast. In 1828 is het in het bezit van een zekere Mr. Galli in Edinburg, die het voor ƒ 2457,- van de hand doet en kort daarna wordt het voor ƒ 9600,- in Londen doorverkocht aan Sir Robert Peel, wiens gehele collectie in 1871 in handen van de Engelse staat overging. Sindsdien hangt "The Avenue at Middelharnis' in de National Gallery in Londen. Achter glas en fotograferen ten strengste verboden, zoals ik mocht ondervinden toen ik "mijn straat' wilde vereeuwigen en een suppoost op mij toe schoot om dat te verbieden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden de kunstwerken in de kelders van het museum opgeborgen. Maar elke maand werd een van de schilderijen tentoongesteld. Toen het Laantje van Middelharnis aan de beurt was, ging Dr. Lou de Jong er menigmaal naar kijken: “Je zit dan weg te dromen in herinneringen, dit was Nederland, zulk een lucht, en zulk een toren in de verte, zulk een landelijke rust.”

Meindert Hobbema wordt in de kunsthistorische geschriften meestal met niet meer dan een paar zinnen, soms een alinea genoemd. Een prachtige volzin leverde Casper de Jong in "Schilderijen zien' (Prisma nr. 381), waarin wordt gezegd dat Hobbema “in zijn zonnige Gelderse landschappen met watermolens een blijmoediger kijk op de natuur geeft dan zijn leermeester Jacob van Ruisdael, en die in een gelukkig moment een der statigste Hollandse landschappen schiep: het Laantje van Middelharnis.”

Gelukkige momenten kende hij weinig. Meindert Lubbertsz. was een wees, die later de naam Hobbema aannam. Op zestienjarige leeftijd kwam hij in de leer en in huis bij Van Ruisdael, die zeer te spreken was over zijn talent en gedrag. Maar in tegenstelling tot zijn leermeester kwam de erkenning en roem voor Hobbema pas ver na zijn dood in 1709. Hij moest na zijn huwelijk met een dienstbode van de Amsterdamse burgemeester de kost verdienen als wijncontroleur en ijkmeester. In die periode schilderde hij het Laantje van Middelharnis. Het is een van zijn laatste schilderijen.

De plaats waar hij zijn veldezel moet hebben neergezet, lag aan het eind van de straat waar ik opgroeide. Een plaats die in de volksmond Patagonië werd genoemd, als aanduiding dat daar de bewoonde wereld ophield te bestaan. Misschien kwam uit dat verre land de Indiaanse kano, waarvan in mijn jeugd het wonderlijke verhaal ging, dat die bij de ruil van de schilderijen was inbegrepen, al had niemand dat exotische relikwie ooit gezien.

Zoniet de beroemde Hobbema, waarvan de domme ruil de voorvaderen niet zozeer als een kunstzinnige maar wel als een financiële miskleun werd aangerekend. In de streekkrant "Eilanden Nieuws' werd in een recent artikel over de geschiedenis van het Laantje de ruil de grootste blunder van het gemeentebestuur van Middelharnis genoemd. Ik zou daar een tweede aan willen toevoegen. Die bestaat er uit dat zij enkele jaren geleden het prachtige, zeventiende-eeuwse Raadhuis (een jaar na de geboorte van Hobbema gebouwd) heeft verruild voor een smakeloos bouwsel uit de oven van een gasbetonarchitect.

In dat oude en statige raadhuis wordt morgen door prins Bernhard het Rien Poortvliet Museum geopend. De notabelen van de gemeente blijken het rekenen nog niet te hebben verleerd, want twee is nog steeds meer dan één en meer dan twee is veel. Van Hobbema via Van der Koogh naar Poortvliet, daar wordt de blijmoedigheid niet mee verhoogd.