De afbladdering van het kabinet gaat voort; Drama beeldt einde uit in LAT-relatie tussen CDA en PvdA; Lubbers' uitleg over inkomensverdeling valt zwaar bij PvdA

DEN HAAG, 27 APRIL. Het eerste debat in de nieuwe Tweede Kamer had saaier kunnen zijn. Maar de bijdrage van het kabinet aan de openingsfestiviteiten is niet onverdienstelijk. Aanstaande woensdag mogen premier Lubbers en wellicht vice-premier Kok tegenover de op "kobaltblauw' gezeten Kamerleden komen uitleggen of en zo ja hoeveel ze nog van elkaar houden. Pas daarna kan de Kamer in de nieuwe behuizing over gaan tot de orde van de dag: De behandeling van “de notitie inzake de grondwettelijke positie van de Nederlandse taal als taal van bestuur en rechtspraak.”

De afbladdering van het kabinet heeft zich het afgelopen weekeinde in versneld tempo voortgezet. Weer is de telkens terugkerende vraag: gaat het mis? En weer is het telkens terugkerende antwoord: strikt genomen zou het niet anders dan mis kunnen gaan, maar alleen wie durft er nu te breken. Het grote probleem bij het drama dat het einde van de LAT-relatie tussen CDA en PvdA uitbeeldt is dat het een onbekend aantal actes heeft. De ratio keert zich tegen crisis - geen van beide regeringspartijen zit te wachten op verkiezingen nu, maar is het kenmerk van een Nederlandse kabinetscrisis niet dat de ratio even afwezig was?

Het leek nog zo mooi, afgelopen vrijdagmiddag. Minister De Vries (nog steeds CDA) van Sociale Zaken kwam rond twee uur zowaar lachend het ministerie van Algemene Zaken uit. De collega-ministers waren nog aan het vergaderen, maar hij mocht weg. Nee, er was dit keer geen uitstel, er kwam een kader, zei De Vries tot de wachtende journalisten. Het kader werd twee uur later uit de doeken gedaan door premier Lubbers. In een college van niet minder dan drie kwartier zette hij tegenover de parlementaire journalistiek uiteen wat het kabinet voornemens was te doen, om vervolgens ook nog eens drie kwartier vragen te beantwoorden. De toon was er één van: en van nu af aan gaat alles beter. De lijnen waren uitgezet, de beslissingen die het kabinet had genomen waren wezenlijk voor de ontwikkeling van de economie. De inflatie zou worden aangepakt, de soliditeit was bewezen en dat zijn belangrijke zaken voor de economie. De conjunctuur zat nog een beetje tegen, maar “zodra het windje weer gaat waaien kunnen we profiteren”, aldus Lubbers. En ook het kabinet was versterkt uit de strijd gekomen, wilde hij nog wel kwijt. Al die verhalen over een kabinet dat in staat van ontbinding verkeerde; hij had ze gelezen dat wel, maar “het was toch een vorm van journalistiek die de herfst beschrijft, terwijl het al weer lente is”.

Het weer sloeg reeds een paar uur later al weer om. Dat was toen het vice-premier Kok ongeveer duidelijk was geworden wat Lubbers allemaal op zijn "perscollege' had beweerd. De premier had gesproken over beslissingen, terwijl de vice-premier nu juist had begrepen dat pas de komende zomer zou worden besloten. In het PvdA-kamp ontstond iets van een déja-vu gevoel. Hadden ze dat een paar weken eerder toen het over de legitimatieplicht ging niet ook al eens meegemaakt. Stomverbaasd had men toen gezien hoe opeens CDA-minister Hirsch Ballin van justitie het “kabinetsbesluit” over deze gevoelige zaak toelichtte, terwijl men zich er van PvdA-zijde helemaal niet van bewust was geweest dat in de ministerraad over de legitimatieplicht iets besloten was.

En nu had Lubbers weer met grote stelligheid van alles beweerd. Er zou besloten zijn tot ontkoppeling, er zou besloten zijn over een inkomensverdeling, terwijl dat volgens Kok allemaal nog niet besloten was. Paniek bij de PvdA. Ze zagen de krantekoppen van de volgende dag al voor zich: Kabinet besluit tot denivellering; minima omlaag, overige inkomens omhoog.

Vooral Lubbers' uitleg over de inkomensverdeling was bij de PvdA-fractie hard aangekomen. Hij wilde af van de term evenwichtig inkomensbeeld. “Het koopkrachtprobleem voor de laagste inkomens is veel belangrijker dan evenwicht”. En dat het pakket leidde tot denivellering was zo. “Niet als doel, maar wel als uitkomst”. Tot op zekere hoogte was dat ook geen bezwaar, zei Lubbers. Het kabinet wilde af van de “onterende discussie naar de samenleving” die zo werd gekenmerkt door “cijferfetisjisme”.

Nog dezelfde avond liet Kok in navolging van de PvdA-fractie weten dat een inkomensverdeling waarbij de laagste inkomens er een procent op achteruit gaan en twee keer modaal 1,5 procent op vooruit voor hem onaanvaardbaar was. Hij kon ook haast niet anders. Want had Kok niet in 1989 tijdens het aantreden van het kabinet in de Tweede Kamer gezegd het als “een ereplicht” te beschouwen om “vanaf 1990 te zorgen voor een samenhangend inkomens -en werkgelegenheidsbeleid dat ertoe leidt dat naar vermogen alle mensen gelijkmatig kunnen delen in de zich ontwikkelende welvaart”? Er waren geen “cijfermatige afspraken” gemaakt aldus Kok. Er was in het kabinet slechts een “kwalitatieve analyse gemaakt”.

Op initiatief van Lubbers kwam er zaterdagmorgen nog namens premier en vice-premier een sussende verklaring. Daarin stond dat in de zomer beslist wordt “hoe en in welke mate invulling gegeven kan worden aan het uitgangspunt de koopkracht van hen die op de koppeling zijn aangewezen zoveel mogelijk te beschermen”. Maar dat is dan ook niet het geschilpunt. Het verschil van mening concentreert zich op de vraag wat er moet gebeuren als dat streven onverhoopt mocht mislukken. In dat geval accepteert Lubbers en met hem de CDA-fractie dat de inkomensverschillen zullen oplopen variërend van min één voor de minima tot plus 1,5 procent voor twee keer modaal, terwijl dat voor de PvdA nu juist onaanvaardbaar is. Of zoals Kok het zaterdagavond - nadat dus de gezamenlijke verklaring was uitgegaan voor het NOS-journaal formuleerde: “Ik heb er in het kabinet geen misverstand over laten bestaan dat zo'n denivellering niet draagbaar is voor de PvdA.”

Vanaf dat moment is de zaak alleen nog maar verder geëscaleerd. CDA-fractievoorzitter Brinkman schaarde zich later die avond voor de VARA-televisie geheel achter de uitleg van Lubbers, terwijl PvdA-fractieleider Wöltgens zondag voor alle beschikbare radiomicrofoons zijn steun betuigde aan Kok en en passant het conflict verder op scherp zette door met een kabinetscrisis te dreigen. Als er geen andere inkomensverdeling tot stand zou worden gebracht “is er geen reden meer voor voortbestaan”, aldus Wöltgens.

Om niet direct weer de oppositie het initiatief te geven, heeft Wöltgens nu zelf aan het kabinet gevraagd om een schriftelijke uiteenzetting over wat er afgelopen vrijdag is besloten rond de inkomensverdeling. Of het Lubbers en Kok zal lukken met een eensgezinde uitleg te komen is zeer twijfelachtig. Hun gezamenlijke verklaring van zaterdagochtend bleek uiteindelijk toch ook weer voor tweeërlei uitleg vatbaar. Premier en vice-premier zijn nog in druk overleg met elkaar, maar op zich zegt dat niets. Zoals een direct betrokkene het vanmorgen zei: “Aan de kwantiteit van de communicatie tussen Lubbers en Kok heeft het nooit gelegen”. Komt er een brief van Kok en Lubbers, dan is men het "eens'. Komt er geen brief dan is er ook geen kabinet meer.