Bestand in Bosnië is betrekkelijk; Staakt-het-vuren betekent niet dat er niet wordt geschoten

SARAJEVO, 27 APRIL. Met zijn dikke stenen muren was de poort bedoeld als verdediging tegen pijlen, speren en een enkele musket, maar nu fungeert deze poort uit de Ottomaanse tijd in de Bosnische hoofdstad Sarajevo als dekking tegen de tankkanonnen en zware artillerie van het Joegoslavische leger. “Niet te lang je hoofd om de hoek”, waarschuwt Abdullah, de wijkagent die met zijn oude moeder in een laag huisje achter het bouwwerk woont en de Visegrad-poort duidelijk als zijn terrein beschouwt. “Als ze niet met de tank schieten zijn er nog altijd de sluipschutters”.

Min of meer steels wijst hij de bezoekers de twee tanks beneden in het dal aan, die voor de Servische zaak al bijna drie weken de weg van Sarajevo naar de Servische hoofdkwartieren in het stadje Pale potdicht houden. En vuren doen ze ook, blijkt in de omgeving van de poort. Vlak naast de poort duidt een groot gat in een schamel huisje de plek aan waar een tankgranaat is binnengedrongen.

Vratnik, een van de voornamelijk door moslims bewoonde wijken tegen de heuvels van Sarajevo, straalt op deze warme lentedag een grote loomheid en haast knusheid uit, ondanks de evidente armoede van veel bewoners: lage huisjes naast kleine minaretten en op binnenplaatsjes verborgen graven van langvergeten sultans uit de tijd dat de Turken Sarajevo bestuurden. Maar de idylle is bedriegelijk; net als het centrum van de stad kreeg Vratnik elke avond deze week zijn portie mortiergranaten en terreur van sluipschutters te verwerken. Overal zijn de inslagen en sporen van rondspattende granaatscherven en kogels te zien, en zijn ruiten gebroken.

“We doen 's nachts geen oog meer dicht”, klaagt de 65-jarige moeder van agent Abdullah, gezeten op de stoep van haar huisje. “Misdadigers zijn het, wat hebben we ze aangedaan? Niets toch zeker?”. De zoon klinkt instemmend. Door de poort rijden af en toe gemotoriseerde collega's heen en weer met bewapende mannen van de “Territoriale Verdediging” (TO), het legertje in opbouw van Bosnië-Herzegovina. Maar het blijft bij wat heen en weer geschiet tussen de ene heuvel, met de TO, en de dichtsbijzijnde, waar de gewapende Serviërs in de struiken liggen. De tanks en de artillerie aan de Servische zijde zwijgen vanmiddag.

Want het is staakt-het-vuren in Sarajevo, en als het even wil ook in de rest van Bosnië-Herzegovina. De vertegenwoordigers van moslims, Serviërs en Kroaten hebben beloofd de wapens te laten zwijgen - voorwaarde voor de hervatting van hun onderhandelingen over de toekomst van de republiek, onder auspiciën van de EG in Lissabon. Staakt-het-vuren wil in de Bosnische verhoudingen niet zeggen dat 's nachts in de heuvels om Sarajevo sporadisch geweer- en granaatvuur te horen is, of dat op klaardichte dag in de stad niet twee oppositiepolitici kunnen worden vermoord. Evenmin wil het zeggen dat niet op verschillende punten in de republiek niet incidenteel artillerie- of mortierbombardementen plaatsvinden.

Maar in verhouding tot de nachtmerrie van de afgelopen drie weken is het in Sarajevo en de rest van Bosnië deze zondag betrekkelijk rustig, iets wat volgens velen ook verband houdt met de viering van Servisch-orthodox Pasen dit weekeinde. Vele tienduizenden van Sarajevo's 700.000 inwoners nemen de gelegenheid te baat voor een wandeling op straat, waar temperaturen rond het vriespunt dit weekeinde hebben plaatsgemaakt voor warm lenteweer.

“Bij ons werd er van alle kanten geschoten”, meldt een echtpaar uit een buitenwijk aan hun kennissen die ze op de hoofdstraat van de oude binnenstad ontmoeten. De aangesprokene kan daar de inslag van een granaat op tien meter van zijn huis tegenover stellen. Overal informeert men naar het welbevinden van kenissen en vrienden en vraagt men of die en die nog in de stad is, of wellicht de wijk naar elders heeft genomen.

Dat laatste wordt inmiddels steeds moeilijker. Nu het vliegveld van de stad middenin een gevechtszone ligt, zijn de laatste burgervluchten geannuleerd. Wel rijden er elke dag nog een paar bussen naar de Servische hoofdstad Belgrado, maar wie geen Serviër is, kan het daar maar beter niet op wagen. En wie wel Serviër is maar man en tussen 18 en 60 jaar oud ook niet, want die loopt de kans meteen in zijn lurven te worden gepakt en aan Servische zijde onder de wapenen te worden geroepen.

Per personenauto is de tocht Sarajevo-Belgrado voorbehouden aan de enkele buitenlanders die in deze streken nog onderweg zijn. En dan nog passeert men op het parcours zeventien verschillende barricades en politiecontrolepunten, afwisselend met regeringsgetrouwe, meestal moslim-politieagenten en agenten van de Servisch-gezinde politie of het Joegoslavische leger. En overal wordt de reiziger onder schot gehouden, zijn paspoort gecontroleerd en zijn bagage doorzocht, als de agenten al niet de reiziger zijn auto uit sommeren om hem op indringende wijze te onderhouden over de bedenkelijke rol van de westerse pers bij het zwartmaken van het Servische volk.

Van de polarisatie die op het platteland zo duidelijk is - heel Bosnië valt blijkens de controles op de weg in Servische, moslim- en Kroatische steden en dorpen uiteen - willen veel inwoners van Sarajevo nog niets weten. “Nog steeds vraagt niemand of je Serviër of moslim of wat dan ook bent”, constateert een oudere inwoner van de stad tevreden. Anderen tonen zich wat bezorgder. “Ik ben Kroatische, maar aan mijn naam kun je dat niet zien, dat zou net zo goed een Servische achternaam kunnen zijn”, vertelt een vrouw. “En ik heb toch een beetje het gevoel dat sommige buren op een bepaalde manier naar mij kijken”.

Aan Zoran Ostijic heeft het niet gelegen. Serviër was hij, en politieagent in Sarajevo. Van de Servische opstand tegen het wettig gezag wilde hij niet weten en zo is hij deze week bij de verdediging van zijn stad op een heuvel in een buitenwijk gesneuveld, 31 jaar oud. Zijn begrafenis op het kerkhof Bare is een multinationale aangelegenheid: zijn door diepe, met Servisch pathos geuite smart aangegrepen familieleden; zijn moslim-collega's met groene baretten op, en zelfs een Kroatische jongen met de baret van de tot de zuidelijkste wijken van Sarajevo doorgedrongen extreem-rechtse HOS-militie.

Op de begraafplaats staat een rijtje kapellen: een islamitische, een servisch-orthodoxe, een katholiek-Kroatische en nog eentje voor ongelovigen en anderen. Zo was dat in Sarajevo en eigenlijk in heel Bosnië, tot voor kort: het vreedzaam samenleven van al die verschillende culturen. Of het in Sarajevo nog lang zo blijven zal, is de vraag. Halverwege de begrafenis komt met veel misbaar een elite-eenheid van de Bosnische politie met hun Chevrolet-overvalwagens tot voor de kapel rijden, om duidelijk te maken dat zoveel variëteit onder de rouwenden in geen geval tot ongeregeldheden mag leiden.