Wachten op het paradijs

Weinig dingen in de tuin zien er onnozeler uit dan een gloednieuw bloembed. Wij hebben er zo een op het moment, een stuk of vijftien vierkante meter waarvan tot voor kort de enige bewoner een roos was, "Souvenir du Dr Jamain', achteraan tegen de muur van het zomerhuis. Met aftrek van de levensruimte gereserveerd voor de goede doctor (eigenlijk niet zo goed, aangezien hij vorig jaar niet gebloeid heeft en dus in zekere zin nog op proeftijd is), hielden we 14 3/4 vierkante meter over om te beplanten. Een paar struiken kwamen uit andere delen van de tuin, maar verder is alles nieuw.

Bijna al het planten heeft nu zijn beslag gehad en het resultaat is volkomen belachelijk. In het verleden plachten vrouwen haar zwangerschappen te verbergen, hetzij door kleermakerskunst, hetzij door eenvoudig niet in het publiek te verschijnen. Ach! kon ik dat ook maar doen. Ik zou dit stuk tuin een paar jaar door middel van een schutting aan het oog onttrekken, om dan met een weids gebaar de schermen te verwijderen en een volmaakte nieuwe border te onthullen. Maar zoals het nu is staren wij naar een stuk naakte aarde dat op gezette afstanden gepunctueerd is door kleine plekjes groen, sommige zo minuscuul dat er merkstokjes bij moeten om er niet per ongeluk op te trappen. Als je er iemand doorheen ziet lopen herinnert het aan Madurodam.

Het planten met de juiste tussenruimtes is een kunst die ik nog steeds niet volledig onder de knie heb. Natuurlijk, als je ze nooit eerder hebt gekweekt heb je geen duidelijke voorstelling van het formaat dat planten zullen bereiken en hoe lang dat zal duren; sommige boeken geven wel een benadering van de toekomstige dimensies - het gaat hier vooral om de omvang - maar een factor waar niemand rekening mee houdt is de twijfel die door zulke schattingen bij de onwetende wordt gezaaid. Het herinnert aan het gezelschapsspel waarbij je de duur van een minuut moet schatten; de meeste mensen komen te laag uit: zo lang kan het toch niet zijn?

Iets dergelijks was mijn probleem met de Astilboides tabularis (vroeger bekend als Rodgersia tabularis) die volgens het boek een omvang van 90 cm bereiken. Graham Stuart Thomas zegt dat een enkel blad 90 cm breed kan worden; "the poor man's Gunnera' noemt hij het. Logisch gesproken zouden de planten dus 90 cm uit elkaar moeten staan, maar zie, dat kreeg ik niet van mezelf gedaan. Ik plantte ze zover uit elkaar als ik kon: op de miniatuurschaal van het bloembed betekent dat dat ze elkaar nauwelijks kunnen zien staan, maar het is nog lang geen 90 cm.

Een ander hinderlijk aspect van dit probleem is dat je redelijkerwijze mag verwachten dat je het tenminste soms goed doet. Als je je planten altijd te dicht bij elkaar zet moet dat in het geval van lange dunne planten leiden tot de juiste afstanden. Maar dan treedt een of andere overcompensatie in werking (dat, denk je, is toch zeker veel te dichtbij) en de magere Campanula's persicifolia komen op semafoor-afstand van elkaar te staan, met tussenruimtes als voor croquet-boogjes op een gazon. Wat een geluk dat niets in het tuinieren eeuwig is; alles wat je nodig hebt is een paar uur van observatie, een paar weken van tweestrijd en dan opeens komt de beslissing: jij kan weg; je graaft hem uit en zet hem ergens anders.

Een grote hulp bij het ontwerpen van dit bed was een recent boek over wat zo langzamerhand mijn specialiteit wordt: Gardening in Shade, door Jane Taylor (Dent, 1991). Dit moet wel het definitieve boek over dit onderwerp zijn, alleen al door het astronomische aantal planten dat er in genoemd wordt. Ik heb een hele stapel boeken over schaduwplanten doorgewerkt en dacht dat ik de meeste wel kende, tenminste van naam, maar dit boek opent geheel nieuwe horizonnen. Bladzij na bladzij met gewassen waar ik nooit van gehoord had en die bijna allemaal klinken alsof ze precies zijn wat ik nodig heb, met de meest verleidelijke beschrijvingen, zodat het je duizelt.

Het vervelende, en er is altijd iets vervelends, is dat deze planten buitengewoon moeilijk zijn te vinden. Jane Taylor is een specialist, ze heeft zelf een kwekerij beheerd en kent allerlei cultivars die kennelijk prachtig zijn maar wel heel zeldzaam. Ze beschrijft een schaduwborder met de roos Mme Alfred Carrière op de muur er achter en een groenblijvende bodembedekking: ""from this unifying carpet arise incidents of flower and leaf to mark the seasons''. Dit zijn dan allemaal planten met witte of lichtgele bloemen en het resultaat klinkt onweerstaanbaar. Ze zijn niet allemaal onvindbaar: witte maagdepalm, salomonszegel, vrouwenmantel, primula's, het gras Carex pendula en de Astilboides tabularis met bladeren "zo groot en zo rond als soepborden' (ook volgens Taylor; misschien staan ze toch niet te ver van elkaar). Maar wat te zeggen van Hemerocallis lilio-asphodeles, Nepeta govaniana, Aconitum lycoctonum, Campanula alliariifolia en Miss Jekylls witte akelei? Daar staan ze, als oude getrouwen, op de steeds meer verfomfaaide lijst die ik meeneem van de ene kwekerij naar de andere.

Er niet in slagen deze planten te vinden of, zoals me onlangs met een paar ervan weer is overkomen, te horen krijgen dat ze uitverkocht waren, noopt tot een panische herziening van de plannen. De mentale gymnastiek nodig voor het opstellen daarvan was al erg genoeg, met al dat gegoochel met hoogte, bloeitijd, kleur der bloemen en vorm der bladeren; maar de ontdekking dat wat intussen is uitgegroeid tot het volstrekt onmisbare ingrediënt op de buik moet worden geschreven is hartverscheurend (niet in de laatste plaats omdat je pas een maand geleden van die plant gehoord had en er nog nooit één in het echt hebt gezien).

Maar dit alles is toch ook een onderdeel van het genot om nieuwe borders te maken. Op een dag zal ik die Nepeta govaniana te pakken krijgen - zoals het me vorige week, na er twee jaar lang overal naar gevraagd te hebben, eindelijk gelukt is de hand te leggen op Gentiana asclepiadea - en tegen die tijd zal de border zo vol staan met andere planten dat er geen ruimte meer voor is. Maar hoe dan ook, al lijkt het op het ogenblik nog wat op Madurodam, weldra zal alles veranderen in een aards paradijs, vol "incidents of flower' en bladeren zo groot als soepborden, een nieuwe tuin binnen de oude, alles bewegend en ruisend in de zomerwind en met lichte plekken in onze vriendelijk gevlekte schaduw.