Softwareproducent Uniface streeft een positie na als wereldspeler; Oprichter Douqué: winst van snelgroeiend bedrijf opvoeren richting beursgang in 1994

AMSTERDAM, 25 APRIL. Ze zijn er nog, Nederlandse automatiseerders die, jaar in, jaar uit, personeelsbestand en omzet met dubbele cijfers zien groeien. Bij Uniface in Amsterdam althans lijken de bomen tot in de hemel te reiken. Crisis? Wat voor crisis?

Ir. Bodo Douqué, het "gezicht' van Uniface, illustreert zijn lezingen tegenwoordig met grafiekjes. Hij toont geen plaatjes van "de' markt met het steevast hoge eigen aandeel daarop, zoals in de behendig definierende branche gebruikelijk is. Douqué laat koersoverzichten van andere bedrijven zien. De ontwikkeling van Multihouse, Newtron, Infotheek, HCS of Management Share op de beurs is indrukwekkend. Alleen een vrije val gaat steiler omlaag. “Bij ons is het anders”, verzekert Douqué, en daarmee doelt hij niet op het ontbreken van beursnotering. “Wij zijn een ander bedrijf. Wij hebben een eigen produkt. Zelf ontwikkeld. Van onze omzet gaat 18 procent naar onderzoek en ontwikkeling.”

Toen Douqué in 1986 in Amsterdam Zuid-Oost nog nijver werkte aan de ontwikkeling van zijn geesteskind, zag hij Willem Smit en Harry Kippersluis, directeuren van het inmiddels van de beurs verdwenen softwarebedrijf Datex, wel eens in hun dure automobielen. “Die waren heel rijk, wist je.” Maar ze deden niets anders dan ordinaire software-diensten leveren; minimale investeringen, maximaal rendement. Voor zolang het duurde. Douqué: “Ik heb toen al voorspeld dat Datex geen bestaansrecht had. Smit had geen produkt.”

Uniface maakt computerprogrammatuur die systeemontwerpers helpt bij de ontwikkeling van databank-toepassingen. De onderneming automatiseert, simpel gezegd, het automatiseren. Dit maakt ontwikkeling van nieuwe programma's voor beheer en verwerking van reusachtige gegevensbestanden sneller en eenvoudiger, en vergemakkelijkt het onderhoud van de software. Het aardige van het Uniface-programma is dat het "open' is, dat wil zeggen: bruikbaar op elke computer, ongeacht het merk.

Sinds Uniface in 1987 op de markt kwam ging de verkoop van een leien dakje. Er bleek grote behoefte aan de software, niet in de laatste plaats omdat steeds meer bedrijven - al dan niet na fusie of overneming - verschillende computersystemen aan elkaar wilden koppelen. Daarvoor was nieuwe, en open programmatuur nodig.

“Er is een wereldwijde markt voor”, weet Douqué. “We zijn niet aan Nederland gebonden. Deze software verkoop je ook zo in Maleisië.” Dus werkt Uniface de laatste jaren aan internationale expansie. Inmiddels heeft de onderneming acht kantoren in de Verenigde Staten, de grootste computermarkt ter wereld. “Als je daar niet zit, dan tel je niet mee”, zegt Douqué.

En Uniface télt mee: “Na anderhalf jaar onder eigen naam boeken we al een positief resultaat. We zitten bij AT&T, Boeing, Disneyland, enzovoorts. Als Europese software-fabrikant zetten we dit jaar 12 miljoen dollar om in de VS. Dat is fenomenaal - andere Europeanen lukt dat niet. Gemiddeld één keer per week dient zich een "venture capitalist' aan die wil participeren.”

Uniface is ook met eigen vestigingen vertegenwoordigd in Groot-Brittannië, Frankrijk en Zwitserland. Agenten verkopen het programma in zeven andere Europese landen, Japan, Australië, Nieuw-Zeeland en Israel. En in Maleisië, natuurlijk.

Douqué's doel op korte termijn is eigen verkoopvestigingen te krijgen in de Europese landen die hij nu nog via agenten bedient. “En dan naar de Pacific. IBM Japan herschrijft alle applicaties al in Uniface. We hebben NEC ook als klant. Volgend jaar moeten we een eigen kantoor in Japan hebben.”

Vorig jaar boekte Uniface een omzet van 29,5 miljoen dollar, circa 55 miljoen gulden. Dat was dubbel zoveel als de 15,2 miljoen dollar uit 1990, die weer ruimschoots tweemaal zoveel was als de 6,7 miljoen uit 1989. Voor 1992 rekent Douqué op 55 miljoen dollar omzet, nog een jaar later moet het 92 miljoen zijn. Het personeelsbestand groeit navenant. Begon de voormalig elektrotechnisch ingenieur van Philips met slechts zes anderen aan de ontwikkeling van de software, en telde Uniface in het eerste jaar van verkoop zestien man personeel, vorig jaar stonden 226 medewerkers op de loonlijst. Dit jaar moeten het er 340 worden, van wie de helft in het buitenland.

Een heel ander verhaal is de winst. Die is sinds 1987 altijd blijven steken op een paar ton. Uniface gebruikt al zijn fondsen voor expansie. “Mijn doelstelling”, zegt Douqué, “is een bedrijf neer te zetten waarin continuiteit zit. We moeten groei doormaken. Alles wat nu binnenkomt, gaat in de ontwikkeling van produkt en verkoopkanalen. We optimaliseren niet op winst, maar op groei. De wereldmarkt vraagt een wereldspeler.”

Tot op heden heeft Douqué daarbij niet de minste hinder ondervonden van zijn externe aandeelhouders, die samen 50 procent van Uniface bezitten. De zeven mannen van het eerste uur bezitten de andere helft. De externe financiers - zeven venturefondsen, waaronder Gilde (20 procent) en Alpinvest (15 procent) - houden 45 procent van de aandelen. Eckart Wintzen, eerste man van 's lands tweede softwarehuis, BSO, heeft 5 procent in handen.

Ze wachten allemaal geduldig tot Douqué zijn uitspraak waarmaakt dat hij zijn bedrijf nog een jaar of wat in omvang zal verdubbelen voordat het in 1994 naar de beurs gaat. Vermoedelijk wordt dat de Nasdaq (New York). Daar weet men nog steeds high tech-bedrijven te waarderen. En bovendien, vindt Douqué, is Amsterdam meer iets voor lokale fondsen. “Als internationaal bedrijf is het onlogisch om naar Amsterdam te gaan.”

Omdat de kosten van produktontwikkeling als percentage van de groeiende omzet afnemen, denkt Douqué de komende jaren meer winst te maken. “Vorig jaar was het een half miljoen gulden. Natuurlijk had ik de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling kunnen activeren, dan was het 3 of 4 miljoen geweest. Maar onze strategie is winstmaken met een conservatieve boekhouding, en winst opvoeren richting beursgang. Zonder kunstgrepen.” Volgend jaar verwacht Douqué 3 miljoen gulden winst, in 1993 10 miljoen.

Beren op de weg ziet de Uniface-voorzitter eigenlijk niet. Een monocultuur? “Ach, Uniface is in feite een systeem, niet een produkt. Doordat we ons op één vakgebied concentreren, kunnen we efficiënt opereren. Pas als een produkt stagneert omdat de markt stagneert, heb je een probleem. Nu hebben we nog volop gelegenheid deelprodukten toe te voegen en ons bezig te houden met volgende stappen in de technologie.”

Douqué vreest evenmin dat zijn "open' programmatuur een prooi wordt van grotere en kapitaalkrachtiger fabrikanten. “Dit soort software schrijf je niet in een jaar. Wij zijn veel beter en verder in deze ingewikkelde technologie dan wie ook. Maar op zichzelf zie ik graag concurrenten verschijnen. Voor de ontwikkeling van de markt is dat een goede zaak; wij kunnen de vraag op dit moment alleen niet aan.”

Met enig nadenken kan Douqué toch een remmende factor verzinnen: “De juiste mensen vinden. Creatief, onconventioneel. Niet op zoek naar luxe, maar naar uitdagingen.” En met de juiste vaardigheden: “De marketing van eigen software, het schrijven van handboeken - dat is een probleem. In Nederland hebben we die cultuur niet.”