Pets

"A man who hates dogs and small children can't be all that bad', zei W.C. Field over zichzelf en ik ben geneigd hem daarin gelijk te geven. Er is veel ellende ontstaan door misplaatste kinderliefde. Over dierenliefde is minder bekend, behalve dan dat ik me herinner dat Adolf Hitler nogal gesteld was op zijn Duitse herder Blondi, die ook als eerste mocht inslapen, zoals dat in dierentaal heet, in de bunker in Berlijn.

In een restaurant, café, vliegtuig of trein heb je echter het meeste last van kinderen - niet van dieren, hoewel de laatste juist in veel restaurants verboden worden. Ik zou graag de moedige restauranteigenaar zien die kinderen tot, laten we zeggen, elf jaar verbood. Dat zal in eerste instantie wel geen Italiaans restaurant zijn, want hoe zuidelijker, hoe meer men gesteld is op die kleine rakkers - hoewel, de Jordaan weet er ook wat van. Als ik het wel heb, was er een opstand in de jaren zeventig vanwege het gerucht dat er een kind zou zijn omgekomen en dat wordt dan meteen een legitimatie voor geweld. ""M'n kind'', of ""m'n moeder''. Vaders komen er minder in voor, in die alibi's.

Van de week bezocht ik een restaurant waar weer zo'n familie zat: een welgedane, geslaagde vader, een muizige moeder in te nauwe dure kleding, een vrijwel apart zittende middelbare, iets te dikke dochter die zich voortdurend (en altijd rot)schaamt over haar ouders, een oudste zoontje van twaalf dat eieren voor zijn geld had gekozen en naast vader zat en de benjamin, een buitengewoon onaangenaam kereltje dat monotone geluiden uitstiet en zich vrijelijk tussen de paden door bewoog.

Alleen moeder probeerde hem nog wel eens tot de orde te roepen, maar vader keek dan met die wezenloze glimlach die voor dat soort ettertjes is gereserveerd (moeder wordt al jaren niet meer bekeken), zodat het kind wist: doe maar raak, de baas vindt het goed, ik zit op fluweel. Omdat het natuurlijk te gek werd, keek vader of moeder ook wel eens naar de andere gasten waarbij ik, om niet medeplichtig te worden, zoveel dédain en afkeer in mijn blik trachtte te leggen als mogelijk. En dat is veel want ik heb van huis uit al een houten kop met onaangenaam hautaine trekken.

Het kind krijste, schopte, weigerde voedsel, eiste ander voedsel, drong eten op aan passanten en aan de gérant, sloeg met een stokje op een scheidingsruit en trok voortdurend aandacht, aandacht, aandacht, terwijl die bête grijns niet van vaders gezicht verdween. De dochter keek uit het raam, de moeder probeerde te bemiddelen en als de twaalfjarige zoon iets zei, snauwde vader hem af. ""En dan nog iets, je neemt geen vriendjes meer mee naar binnen, begrepen? Nee, begrepen? Op straat spelen mag je, je ziet maar, maar ik wil ze niet in huis. Wat zeg je? Omdat ik dat wil. Daarom. Ja moeder? Is dat duidelijk?''

Het was eigenlijk jammer dat er maar één kleintje ronddolde, want als het er twee zijn, volgt onherroepelijk wat mijn moeder vroeger katjesspul noemde: steeds harder rondrennen totdat er eentje tegen de punt van een tafel valt, of tussen de draaideuren geraakt.

Dit kind had bovendien zo'n matje in zijn nek.

Ik woon naast een school en als ik dan mijn auto uit de garage haal, staan er steevast twee van die kaffertjes te kijken: is die auto van jou? In plaats dat ik zeg: nee, van Sinterklaas, erger ik me zwijgend aan "jou' en aan dat zinloze gekwaak. Zelden hoor je een ouder zeggen: doe nou maar eens even gewoon Jantje - om de eenvoudige reden dat die kinderen, noch de ouders wéten wat gewoon is en die kinderen met die matjes nooit Jan maar altijd Jonathan of Mike heten.

Hoe het kwalletje in het restaurant heette, weet ik niet. Kom eens hier, duvel, zei de vader soms. Twee diensters meldden mij fluisterend dat zij de kleine vaak een armpje probeerden om te draaien. We hadden nog geluk dat het kind niet dik was. Soms stampen er honderd kilo zware peuters langs je tafel met nog veel grotere matjes in hun nek. Laatst hoorde ik een moeder tegen zo'n dikzakje zeggen, in de tram nota bene: ""Niet zo zeuren Jonathan, anders ga je niet mee naar Aruba.''

Ik weet precies wat er in zo'n vliegtuig gebeurt (althans ik hoop dat het volgende in het vliegtuig zal gaan gebeuren). Het kind is weer oervervelend, de stewardess zegt: wil jij even de cockpit zien? Dat wil Jonathan wel. En in de cockpit wringt de tweede piloot, door de stewardess ingeseind, zo'n dik armpje op Jonathans rug en zegt dat Jonathan zich de hele tocht lang buitengewoon gedeisd moet houden omdat ze anders al zijn haar, inclusief matje, af zullen scheren. En als je het aan je vader of moeder vertelt helemaal.

Bij een volgende vliegtocht neem ik zelf het heft in handen. Dan ga ik meteen naar de cockpit om te klikken dat Jonathan weer tegen mijn stoel zit te schoppen. Dus als u de stewardess een kaal kind ziet terugsleuren door het gangpad weet u meteen dat ik aan boord ben.