Hoorspel Theun de Vries is als een glimlach van Haydn

De première, zondag, Radio 4, 22.41-0.00u. (Volgende afleveringen op 3, 10 en 17 mei.

Met de roman Het hoofd van Haydn uit 1988 introduceerde de schrijver Theun de Vries (1907) een nieuw literair genre, dat het midden houdt tussen de historische roman, de muziekroman en de detective. Het resultaat is een zwarte komedie rond de lotgevallen van het in 1809 uit het graf ontvreemde hoofd van de componist. Pas in 1820 doet Haydns beschermheer en vroegere leermeester Nikolaas Estherházy de gruwelijke ontdekking, waarna het keurige Wenen in rep en roer raakt. Wat volgt is een speurtocht naar bizarre criminelen, die aanhangers blijken te zijn van de omstreden leer der frenologie. Uit de vorm van schedels, in dit geval die van Joseph Haydn, wilde men de karaktereigenschappen van de mens destilleren. Een ongoddelijke houding ten opzichte van de natuur of niet, de frenologie deed aan het begin van de negentiende eeuw opgeld. Ook Balzac laat zich op verschillende plekken in zijn Comédie humaine uit over het verband tussen schedel en karakter.

In het hoorspel dat Pieter Terpstra van Het hoofd van Haydn maakte, komen de verschillende aspecten van de roman aan bod, zelfs de brede, schilderende en tegelijk ironische schrijfstijl van Theun de Vries. Een van de kwaliteiten van zowel boek als hoorspel is de grote betekenis die wordt toegekend aan het vertellen van het verhaal, zonder omhaal, spannend.

Auteur Terpstra en regisseur Sylvia Liefrinck weten met suggestieve scènes (geknars van hekken, hoefgetrappel, deuren die wild ingetrapt worden) de morbide sfeer te treffen van de zoektocht naar de schedel. Zonder al te veel moeite is de luisteraar in staat zich figuren als de malafide apotheker Schwimmer, Demuth de doodgraver of zakenman Rosenbaum voor te stellen. Meesterlijk zijn al de verschillende omschrijvingen voor de ontbrekende schedel, met als hoogtepunt de uitdrukking "hoofdeloos gebeente". Om intussen te verduidelijken welk een goddelijke muziek in dat hoofd is ontstaan, klinken ter afwisseling passages uit Haydns strijkkwartetten. De muziek is zo aan de aarde ontstegen, en vormt derhalve zo'n ironisch contrast met het geploeter van de rechercheur en het gestechel van het geboefte, dat het lijkt of zowel roman en hoorspel zijn als een milde glimlach van de componist: wat de mens ook onderneemt met zijn lijk, de muziek die Haydn componeerde wordt er des te smettelozer en tijdlozer door.

De première uit 1990 is een bij uitstek complexe roman ter dramatisering. De monologue intérieur van de Italiaanse componist Puccini speelt zo'n beslissende invloed, dat de enige mogelijkheid een niet-theatrale uitvoering lijkt. Intrigerend is het verhaal zeker. Het behelst de spanning van Puccini in de dagen die voorafgaan aan de Newyorkse première van zijn opera La Fanciulla del West (1910) in de Metropolitan. Het werd uiteindelijk een succes: Toscanini dirigeerde, Caruso zong. Om zowel de opera als Puccini's twijfel en zenuwen treffend vorm te geven, vervlocht bewerker Pieter Terpstra fragmenten van de opera met dialogen over het verhaal van de Californische goudzoekers, zodat van begin af aan al een beeld van het geheel ontstaat. De uitbundige muziek van Puccini staat in tegenstelling tot de gehaaste, wat fluisterende stemvoering van de componist. Duidelijk is dat hij zich een vreemdeling voelt in de Nieuwe Wereld. IJzig sterk is, naar stem en geluidseffect, het bezoek aan de Morgue waar een opgebaarde jonge vrouw Puccini doet denken aan het meisje dat hem na een ongeluk verzorgde en dat door zijn ziekelijk-jaloerse vrouw de dood in werd gedreven. "Ik ben genteresseerd in menselijk drama," zegt Puccini ergens. Zijn eigen leven bleef niet van drama verschoond.

In de reeks hoorspelen volgen nog Het motet voor de kardinaal en De dood kwam met muziek, twee historische radiodrama's uit de late middeleeuwen. Evenals in de andere twee is het taalgebruik bijna onwaarschijnlijk zuiver en plastisch. Men vraagt de luisteraar van de radio weleens waar hij naar kijkt als hij luistert. Bij deze hoorspelen is dat geen probleem: we kiezen een plek in de kamer uit (schilderij, stuk witte muur) en zien vanzelf in onze fantasie de hele stoet van figuren verschijnen die Theun de Vries en zijn bewerkers oproepen.