Gebroken bruggen; Het Nederlands bedrijfsleven zal Indonesië missen

De hulprelatie tussen Nederland en Indonesië is beëindigd, de laatste Nederlandse ontwikkelingswerkers hebben gisteren hun bureaus uitgeruimd. De circa driehonderd miljoen gulden die Ontwikkelingssamenwerking jaarlijks in Indonesië te besteden had, wordt voortaan elders in de wereld aangewend. Minister Pronk leed er politieke schade door, een aantal Nederlandse bedrijven zag een jarenlange praktijk van het verkrijgen van aantrekkelijke orders vervliegen.

Hoe werkte de hulprelatie in de praktijk? Wat behelsde de hulp, wie onderhield de beste relaties? Het verhaal van een van de grootste, met ontwikkelingsgeld gesteunde Nederlandse exporteurs aan Indonesië: Hollandia Kloos.

Derde-Wereldpolitiek is van oudsher handelspolitiek. Dat gold ook voor de Nederlandse hulprelatie met Indonesië. Het waren niet alleen de vertrapten en behoeftigen die baat moesten hebben bij de financiële ondersteuning door de Nederlandse overheid, ook het Nederlands bedrijfsleven diende de vruchten te plukken van de ontwikkelingsgelden voor Indonesië. En dat gebeurde. Van de circa driehonderd miljoen die Ontwikkelingssamenwerking jaarlijks te verdelen had in de Gordel van Smaragd, werden tientallen miljoenen ingezet om Nederlandse exporteurs aan opdrachten te helpen.

""Uit de pot snoepen'', noemen betrokken ambtenaren dat. Enkele exporteurs wisten de pot goed te vinden. Uit gegevens van het departement blijkt dat bij voorbeeld IHC orders voor de levering van sleephopperzuigers dank zij zachte leningen van totaal zeventig miljoen gulden verwierf. Mede met steun van ontwikkelingsgeld (leningen van 26 miljoen) kon Ballast Nedam een kolenterminal van 87 miljoen op Sumatra aanleggen; en op grond van een ministeriële lening van 81 miljoen mocht Ballast voor 107 miljoen gulden een haven in Batam uitbreiden. Met geld uit "de pot' (leningen van 50 miljoen) verwierf Hollandse Signaal Apparaten opdrachten voor de levering van à 50 miljoen van luchtverkeerleidingssystemen (air traffic control). En op grond van steun van Ontwikkelingssamenwerking (leningen van 70 miljoen) kreeg het voormalige APT, destijds deels eigendom van Philips, een telefonie-order van 300 miljoen toebedeeld.

Unieke positie

Een van de Nederlandse bedrijven die het meeste baat hadden bij de hulprelatie was Hollandia Kloos, het beursgenoteerde staalconstructiebedrijf, voor zo'n tachtig procent het gezamenlijke bezit van president-directeur Rob Lubbers en de stichting waarin zijn broer premier Ruud Lubbers zijn vermogen heeft ondergebracht. Hollandia had ten opzichte van andere Nederlandse exporteurs een ""unieke'' positie in de voormalige Nederlandse kolonie, vertelt J.J. Kleinrensink, woordvoerder van het ministerie voor ontwikkelingssamenwerking.

In totaal heeft Hollandia de laatste dertien jaar voor een kwart miljard gulden aan opdrachten voor Indonesië uitgevoerd. Behalve verkeersbruggen betrof het spoorwegwissels, spoorbruggen, rail-bevestigingsmaterialen. ""In Indonesië heb ik het voortouw'', zei Rob Lubbers aan collega's in de staalbranche.

Het is, vertelt hij in zijn sobere directiekamer, het resultaat van een relatie die al voor de Tweede Wereldoorlog tussen Hollandia en Indonesië werd gelegd: ""De standaard voor spoorwissels in Indonesië is de Hollandia Kloos-wissel. Dat zegt genoeg, lijkt me. Dit bedrijf heeft een traditie van zakendoen met Indonesië.''

Toen onlangs een eind werd gemaakt aan de hulprelatie van Nederland met Indonesië mocht dat politieke opwinding geven, maar de echte problemen ontstonden bij ondernemingen als Hollandia Kloos. Het bedrijf haalde de laatste dertien jaar gemiddeld tien tot twintig procent van zijn jaaromzet uit Indonesische orders. Zo moest het nog een paar jaar doorgaan.

In de week dat het CDA in het parlement heftig inhakte op ondiplomatieke uitlatingen van minister Pronk inzake Indonesië, werd op de Hollandia Kloos-burelen duidelijk dat het bedrijf door de Indonesische ingreep een tweetal orders van totaal bijna 55 miljoen gulden dreigt mis te lopen. De opdrachten zijn hem uit handen gespeeld omdat de Nederlandse steun aan de Indonesische Derde-Wereldeconomie werd gekoppeld aan politiek-morele opvattingen over de naleving van mensenrechten.

"Grijpstuiver'

Ergens begin jaren tachtig nam Jaap de Groot een besluit. De robuuste grondlegger van Grootint, een slimme, keiharde aannemer, zag dat concurrent Hollandia Kloos de ene na de andere schitterende opdracht in Indonesië binnenhaalde, dat het bedrijf er ""goud geld'' verdiende. De Groot zou ook aan Indonesië gaan doen.

Dat deed hij al, maar dat was net het probleem. Een miljoenenopdracht voor de aanleg van verkeersbruggen, die Hollandia Kloos eind jaren zeventig had verworven, was zo omvangrijk dat het staalconstructiebedrijf van Lubbers andere Nederlandse bedrijven inschakelde om onderaannemingswerkzaamheden te verrichten. Grootint was er één van. Zodoende kon De Groot met jaloerse ogen vaststellen dat zijn onderneming ""een grijpstuiver'' verdiende waar Hollandia Kloos bedragen ""met zeven nullen'' omzette. Deze achterstand moest worden ingehaald.

De totstandkoming van de achterstand had een onschuldige achtergrond. Tijdens het eerste kabinet-Van Agt ('77-'81) was de anti-revolutionair De Koning begonnen aan een langzame bijstelling van het onder zijn bevlogen voorganger Pronk in het kabinet-Den Uyl gevoerde beleid. De sterke gerichtheid op armoedebestrijding werd weer voorzichtig omgezet in de traditionele combinatie van steun aan de Derde Wereld via exportbevordering. Het verkeersbruggenproject in Indonesië werd daar onderdeel van: het ministerie verstrekte een lening van ruim zeventig miljoen gulden aan de Indonesische autoriteiten, opdat een Nederlandse onderneming de bruggen zou mogen leveren en aanleggen.

Het departement vroeg in 1978 vijf Nederlandse aannemers een offerte in te dienen. Er was discussie of de bruggen van staal ofwel van beton moesten worden: HBG maakte ze van beton, Hollandia Kloos van staal. Uiteindelijk werd Hollandia Kloos het project gegund. Niemand beklaagde zich. De beste had gewonnen.

Het verschafte Hollandia Kloos een ideale positie in Indonesië, want na de eerste opdracht zouden er in een periode van tien jaar nog vier volgen. Honderden verkeersbruggen werden geleverd. In totaal was met deze vervolgopdrachten - de eerste werd in 1982 gegund, de laatste vorig jaar - een omzet van zo'n 185 miljoen gulden gemoeid, voor 130 miljoen gulden ondersteund met leningen of schenkingen van de Nederlandse overheid.

Wat Jaap de Groot van Grootint sinds het begin van de jaren tachtig ook probeerde, wat collega-concurrenten als Bailey, HCG, Strukton en Mercon ook uithaalden om in Indonesië bij de bouw van verkeersbruggen aan de bak te komen, succes bleef uit. ""Het was een closed shop'', zegt Strukton-directeur G. van den Brink.

Dat leidde tot roddel over bevoordeling van de broer van premier Lubbers in de voor buitenstaanders ondoorgrondelijke wereld van de aannemerij waar het geaccepteerd is dat vriendschap en collegialiteit op grillige wijze worden afgewisseld met keiharde competitie en - volgens sommigen - met "matennaaierij'. Alleen was er geen spoor van bewijs voor.

""Tuurlijk, tuurlijk. Zo werkt de concurrentie in deze branche'', zegt Rob Lubbers. ""Ik heb met Jaap de Groot vele conflicten uitgevochten, dat ging hard tegen hard. Maar toen zijn vader overleed, was ik op de begrafenis. Dat begrijpen buitenstaanders niet, dat begrijpen alleen Jaap en ik.''

Het betekende niet dat alles bij de verkeersbruggenprojecten reglementair is verlopen, of dat ze voldeden aan één van de doelen van ontwikkelingssamenwerking: versterking van de Indonesische economie.

Praktijk

Het beleid van het ministerie kent formele regels en formele doelstellingen. Daarnaast is er de praktijk, die soms ver van de regels afstaat. Zo moeten sinds het begin van de jaren tachtig reglementair alle hulpprojecten waarbij het bedrijfsleven is betrokken, worden onderworpen aan een (internationale) openbare aanbestedingsprocedure, zodat ondernemingen dezelfde kans op een project hebben. Een dergelijke procedure is bij de vervolgopdrachten voor verkeersbruggen nooit uitgevoerd.

Dat is op het eerste gezicht niet bijzonder. Bij zeventig procent van alle orders voor ontwikkelingsprojecten werd in de jaren tachtig door het departement geen openbare inschrijving gehouden, blijkt uit een eigen onderzoek van het ministerie. Op alternatieve wijze kon volgens het ministerie in deze gevallen adequaat worden gecontroleerd of er sprake was van een concurrerende prijs.

Het feit dat voor Hollandia Kloos in tien jaar tijd bij de vier vervolgopdrachten voor verkeersbruggen (van totaal 185 miljoen gulden) de formele regel nooit werd toegepast, noemt de woordvoerder van Ontwikkelingssamenwerking ""uniek''. Het is normaal, zo zeggen deskundigen, dat bij kleinere projecten van hooguit enkele miljoenen guldens van de regel van openbaar aanbesteden wordt afgeweken. Maar bij omvangrijke opdrachten waarmee tientallen miljoenen guldens zijn gemoeid, is een openbare inschrijving op de projecten gebruikelijk. P. Hoebink, een Nijmeegse wetenschapper die enkele jaren geleden onderzoek heeft verricht naar het (dis)functioneren van ontwikkelingsprojecten, noemt het ""exceptioneel'' dat ""in dit geval zó lang met een ondershandse aanbesteding is gewerkt''.

Uit een evaluatie van het verkeersbruggenproject die minister Pronk in februari 1990 publiceerde in het rapport Hulp of Handel? blijkt dat er ""op dit moment'' in Indonesië ""twee staalbedrijven zijn die technisch gelijkwaardige brugonderdelen (kunnen) leveren tegen een prijs die circa 20-25 procent lager is dan de prijs van Hollandia Kloos''. Van deze mogelijkheid werd geen gebruik gemaakt.

Het Nederlands Economisch Instituut (NEI), dat twee jaar geleden door het ministerie werd ingeschakeld om een verkeersbruggenproject van Hollandia Kloos te evalueren, suggereerde vorig jaar in een vertrouwelijk advies aan het departement vragenderwijs bij nieuwe vervolgorders een openbare aanbestedingsprocedure te beginnen.

De Hollandia-directeur reageert er lakoniek op. ""Het is aan het economisch instituut om dat te schrijven. Ik zeg u: de Indonesische overheid wil met Hollandia Kloos verder. Ze wil geen vijf of zes bruggensystemen hebben. Als u altijd in een Volkswagen rijdt en het NEI zegt: zou het niet verstandig zijn naar een ander merk om te kijken, dan zegt u toch ook: meneer NEI, die Volkswagen bevalt me best, ik hoef geen andere auto?''

Het ministerie legde dit deel van het NEI-advies naast zich neer. Volgens het departement werd langs alternatieve weg - een prijsvergelijking met een Australische en Oostenrijkse concurrent - vastgesteld dat Hollandia Kloos voldoende concurrerend was om van een openbare procedure af te kunnen zien. December vorig jaar werd het contract voor de nieuwe vervolgorder getekend.

Moed

De toenmalige directeur-generaal Internationale Samenwerking, J. van Gennip, wil niet veel kwijt over de beweegredenen van het ministerie om bij het verkeersbruggenproject van openbare aanbesteding af te zien. ""Maar ik wijs er wel op dat ambtenaren moed nodig hadden om Hollandia Kloos een faire kans te geven.'' Volgens de oud-topambtenaar, thans directeur van het Wetenschappelijk Instituut van het CDA, bestond er een ambtelijke neiging om het bedrijf te benadelen sinds de publikaties van Pieter Lakeman over Hollandia Kloos in de jaren tachtig. ""Maar hoe de zaken in dit specifieke geval in elkaar zitten, weet ik niet. Dan zou ik de dossiers opnieuw moeten bekijken.''

De verkeersbruggenprojecten hadden van oorsprong ook de doelstelling de Indonesische bedrijvigheid te stimuleren. Daarvan blijkt niet veel terechtgekomen, zo concludeerde het ministerie in Hulp of handel? Door de financiële ondersteuning die Hollandia Kloos voor de projecten van de Nederlandse overheid kreeg, werden, gegeven het gesignaleerde prijsverschil van 20 à 25 procent, ""potentiële lokale leveranciers'' op ""schrijnende'' wijze ""in een nadelige concurrentiepositie geplaatst'', aldus het rapport.

Het stimuleren van de lokale bedrijvigheid was voor het ministerie ook een reden om enige jaren geleden een ander Indonesisch geesteskind van Rob Lubbers te ondersteunen: de bouw van de hypermoderne, nabij Jakarta gevestigde staalconstructiefabriek Kratama Belinda Internasional (KBI).

Er ging een lange, roerige geschiedenis aan vooraf. Al begin jaren tachtig trof Rob Lubbers voorbereidingen voor het project. Gesteund door de Nederlandse overheid toog hij met een veelbelovend business-plan langs potentiële financiers. Behalve de Financierings-Maatschappij voor Ontwikkelingslanden (FMO) - waarin de Nederlandse overheid een aanzienlijk belang heeft - wist Lubbers de bouwonderneming Bammens uit Maarssen voor zijn plan te interesseren, evenals Krakatau Steel, de Indonesische tegenhanger van Hoogovens, Hutama Karya, een Indonesische bouwfirma, en de prestigieuze Aziatische Ontwikkelingsbank. Hollandia Kloos en de Stichting Lubbers namen in eerste instantie een aandeel van 27,5 procent in de onderneming.

KBI werd vooral opgericht omdat het ministerie het Indonesische bedrijfsleven meer wilde laten profiteren van het Nederlandse ontwikkelingsgeld. Lubbers: ""Toen we het eerste bruggenproject rond hadden is ons gezegd dat we de lokale industrie moesten inschakelen om meer kans te maken in Indonesië. Dat heeft geleid tot de bouw van een verzinkerij en een constructiewerkplaats, gedragen door een breed vlak van aandeelhouders om zowel in de lokale als de Europese markt ingangen te hebben.''

Lubbers had speciale belangstelling voor de nieuwe onderneming om zo de Indonesische orderportefeuille voor Hollandia Kloos op peil te houden. De eerste belangrijke order die KBI binnenhaalde, betrof een mede met Nederlands overheidsgeld gefinancierd project voor de renovatie en aanleg van spoorbruggen op Java en Sumatra. Dit project, gestart in 1987, had een relatief nieuwe opzet: vooraf stond vast dat het eerste deel - ten bedrage van 20 miljoen gulden - door lokale Indonesische ondernemingen werd uitgevoerd, en een later aan te besteden deel - voor zo'n dertig miljoen - door Nederlandse bedrijven. De gedachte daarachter: door Indonesische en Nederlandse bedrijven min of meer verplicht te laten samenwerken, wordt de doelstelling van het stimuleren van de lokale bedrijvigheid eerder bewerkstelligd.

Over de ondershandse gunning aan KBI van het eerste projectdeel viel een besluit tijdens het zogenoemde "Beleidsoverleg' van Indonesische en Nederlandse topambtenaren in 1987. Een openbare tender bleef uit, zegt woordvoerder J.J. Kleinrensink van het ministerie, ""omdat het de uitdrukkelijke wens van de Indonesiërs was dat KBI dit werk ging doen''. Niettemin stelt hij dat ""de regels van de Nederlandse overheid zijn dat er in een dergelijk geval in principe openbaar wordt aanbesteed''. Kleinrensink: ""Dat lag hier ook in de lijn, maar in die tijd werd daarvan makkelijker dan tegenwoordig afgeweken.''

Lubbers wijst erop dat de Indonesische en de Nederlandse overheid ""soepel'' optraden omdat ze het erover eens waren dat KBI een startorder moest worden gegund om de aanloopfase door te komen. ""Als het ministerie zegt dat het tegen de spelregels is, moet het maar uitleggen waarom men ermee heeft ingestemd.''

Moeizaam

De startorder kon niet voorkomen dat KBI moeizaam van de grond kwam. De eerste jaren werden gekenmerkt door management-problemen, fikse aanloopverliezen en een chronische onderbezetting. In korte tijd verdwenen drie directeuren. Vorig jaar nam Rob Lubbers zelf het heft in handen.

Aandeelhouders begonnen te morren. Ze voelden er weinig voor om ruime sommen geld naar Indonesië te dragen zonder er ooit een cent van terug te zien. Bammens haakte als eerste af. Het bouwbedrijf uit Maarssen verkocht zijn belang van 7,5 procent aan Hollandia Kloos. Ook voor de lokale man van FMO in Jakarta, drs. J.P. van der Veen, was op een gegeven moment de maat vol. De vertegenwoordiger van de Nederlandse ontwikkelingsbank die is opgezet om werkgelegenheid en economische groei in de Derde Wereld te stimuleren, wilde het probleembedrijf lozen.

Met betrokkenen werd bijna een jaar gepraat over verkoop. Het mocht niet baten. Hollandia Kloos wilde niet. Na lang soebatten nam Hollandia eind vorig jaar de vordering van ruim acht miljoen gulden over die FMO op KBI heeft. FMO incasseert een flink verlies. ""Het loopt in de miljoenen'', zegt algemeen directeur L. Mennes.

Lubbers bestrijdt dat KBI er nog steeds slecht voor staat. ""KBI kampt niet meer met onderbezetting. Het heeft vorig jaar een positief resultaat behaald. Ik daag iedereen uit om een bedrijf onder deze omstandigheden, in Indonesië, binnen vijf jaar op zo'n resultaat te krijgen.'' Hollandia Kloos en de Stichting Lubbers (die het vermogen van de premier beheert) breidden onlangs hun gezamenlijke belang in de Indonesische onderneming fors uit, waardoor ze 62 procent van de aandelen in bezit kregen.

Gevecht om orders

Analoog aan de Indonesische aanbesteding van het spoorbruggenproject, startte in de tweede helft van de jaren tachtig in Nederland het gevecht om orders voor het Nederlandse deel ter waarde van 30 miljoen gulden. Andermaal toonde Jaap de Groot van Grootint forse belangstelling. Al op 22 januari 1987 bracht hij een bezoek aan toenmalig minister P. Bukman en diens topambtenaar Van Gennip op het departement ontvingen.

Het gesprek had voor De Groot een eenvoudig onderwerp. Zou Grootint bij het Indonesische spoorbruggenproject, anders dan bij de verkeersbruggen, nu wel een kans krijgen?

Spoedig kwam de conversatie op de stichting "Insto', die eind jaren zeventig was opgericht. ""Een soort kartel'', aldus Van Gennip, waarin bedrijven zoals Hollandia Kloos, Grootint, Mercon, Bailey en HCG, gezamenlijk probeerden projecten in verre buitenlanden te verwerven, bijvoorbeeld in Indonesië en bij voorkeur met steun uit de fondsen van Ontwikkelingssamenwerking. In dat laatste voorzag het spoorbruggenproject in ieder geval. Het ging er De Groot alleen om of er gewerkt zou worden met Insto, dan wel met een individuele Nederlandse onderneming.

Na afloop van het gesprek met Bukman toonde De Groot zich ingenomen met het resultaat. ""Jaap, ieder krijgt zijn portie'', zo herinneren collega's van Grootint de toezegging die Bukman toentertijd volgens De Groot zou hebben gedaan. Het zou anders lopen. Nog los van het feit dat zowel Bukman als Van Gennip weerspreekt een harde toezegging te hebben gedaan, voelde Hollandia Kloos zich geenszins gebonden aan Insto.

Lubbers: ""Ik nam deel aan Insto, maar ik had het niet nodig. Zeker niet voor Indonesië. Daar had ik immers het voortouw, daar was ik full swing bezig.'' Toen bleek dat Hollandia Kloos los van Insto bleef proberen Indonesische orders te bemachtigen, werd dat Lubbers in Insto-verband voor de voeten geworpen. ""Rob, je hebt ons belazerd'', klonk het in een vergadering. Formeel bleek dat Hollandia alle recht van handelen had: een deelname aan Insto hield geen verplichting in af te zien van het per bedrijf dingen naar orders. ""Hollandia Kloos is gewoon een scherp en listig bedrijf'', zegt J. van 't Hullenaar, directeur van Bailey. ""Ik neem ze dat absoluut niet kwalijk. Dat is een vorm van goed ondernemerschap.''

Soms, zegt hij, is het wel lastig om met Hollandia te werken. Begin vorig jaar startte ten behoeve van het Nederlandse deel van het spoorbruggenproject een openbare tender-procedure. Omdat KBI het Indonesische deel uitvoerde, had Bailey voorafgaande aan het uitbrengen van een tenderbod behoefte aan overleg met KBI over technisch-organisatorische aspecten van het project. Toen werd duidelijk dat de ondershandse aanbesteding aan KBI in 1987 Hollandia Kloos een voorsprong gaf bij het dingen naar het Nederlandse part.

Van 't Hullenaar: ""Als we het Nederlandse deel zouden krijgen, moesten wij volgens bestek het KBI-deel mede coördineren. In het contact met Hollandia Kloos - KBI is immers van Hollandia - bleek afstemming daarover niet mogelijk. Dat gaf irritatie.''

Ook dat neemt de Bailey-directeur Hollandia niet kwalijk. Maar hij vindt het vreemd dat de overheid de regels op deze manier hanteert. ""Je start als overheid een openbare inschrijving uit; je zoekt dus bedrijven. Maar die bedrijven zijn voor de kwaliteit van hun tender afhankelijk van één Indonesisch bedrijf dat feitelijk van Hollandia Kloos is. Als dat mag van de overheid, ben ik uitgepraat. Daar tegenin gaan leek mij zinloos.''

Neuslengte

Eind vorig jaar kwam Hollandia Kloos als laagst biedende Nederlandse onderneming uit de bus, een neuslengte voor Mercon Steel uit Gorinchem, overigens voor 49 procent eigendom van Hollandia Kloos. Hollandia kon de bruggen voor 37,8 miljoen gulden leveren, Mercon voor 38 miljoen, Grootint werd op ruime afstand derde. Maar na eerste besprekingen tussen Hollandia en en de Indonesische autoriteiten ontstonden problemen. Indonesië wilde 30 miljoen gulden voor de bruggen uittrekken, en in Jakarta voelde men er niet voor dat bedrag te verhogen, zodat de Indonesische Spoorwegen weigerden genoegen te nemen met de offerte van Hollandia.

Lubbers stelde alles in het werk de order te behouden. Hij opperde de mogelijkheid aan de Nederlandse ambassadeur in Jakarta het verschil tussen de 30 miljoen en 37,8 miljoen met overheidsgeld te overbruggen. Het gebeurde niet.

Daarnaast, zo blijkt uit vertrouwelijke stukken, had hij een andere variant achter de hand. Het Indonesische deel van het project moest voor een laatste deel nog door KBI in uitvoering worden genomen, contract-besprekingen daarover liepen nog, en Lubbers stelde voor het Nederlandse en het Indonesische deel van het project te koppelen. Op die manier zou het complete spoorbruggenproject, het Nederlandse èn het Indonesische deel, alsnog in handen komen van twee bedrijven die beide worden geleid en in meerderheid in bezit zijn van Rob en de Stichting Lubbers.

Zowel het ministerie voor ontwikkelingssamenwerking als Rijkswaterstaat, dat terzake als adviseur van Indonesië optrad, wees de variant van de hand. In hun ogen was een dergelijke koppeling inhoudelijk en procedureel hoogst ongewenst. Niet alleen omdat dit wel een erg ruime interpretatie zou zijn van de oorspronkelijke project-doelstelling - stimuleren van het lokale bedrijfsleven -, ook omdat Hollandia Kloos zou worden bevoordeeld ten opzichte van de andere Nederlandse bedrijven die aan de openbare tender-procedure hadden deelgenomen.

Lubbers heeft zich geërgerd aan deze opstelling. ""Ik vind het een schande'', zegt hij, ""dat partijen als Rijkswaterstaat en het ministerie er niet voor openstaan een project zo goedkoop mogelijk uit te voeren.''

Een oplossing was nog niet gevonden toen vorige maand de hulprelatie door Indonesië werd stopgezet, waardoor de beide projecten ter waarde van 55 miljoen op losse schroeven staan. De toekomst van Hollandia Kloos in Indonesië is nu onzeker.

Maar Lubbers blijft optimistisch. ""Ik ben dertien jaar actief in Indonesië. Ik heb projecten met en zonder hulp van Ontwikkelingssamenwerking gedaan. Ik heb in Indonesië het vertrouwen van de opdrachtgevers. Nu komt er een hik in de financiering. Ik heb er geloof in dat ik dit overwin.''