EMBRYOLOGIE

The Triumph of the Embryo door Lewis Wolpert met tekeningen van Debra Skinner 211 blz., Oxford University Press 1991, f 60,70 ISBN 0 19 854243 7

Waarom ontwikkelt een bevruchte eicel zich doorgaans niet tot een tumor? Dat is, grof gesteld, de centrale vraag in de ontwikkelingsbiologie. Een jong embryo deelt en deelt zich, maar doet dat niet lukraak. Het groeit uit, niet tot een vormeloze klomp cellen maar tot een gedifferentieerd patroon dat langzaam maar zeker transformeert tot een klein muisje, een vlieg of een baby. Pas de laatste tien jaar begint het genetische programma duidelijk te worden dat aan de wording van het embryo ten grondslag legt.

Lange tijd was de embryologie nauwelijks meer dan een beschrijvende wetenschap. Er bestonden wel theorieën over de moleculaire basis van verschijnselen als differentiatie en patroonvorming, maar ze konden nog niet experimenteel worden getoetst. Tegenwoordig is de ontwikkelingsbiologie een van de vruchtbaarste fronten van de levenswetenschap. Sinds een jaar of tien barst het van de spectaculaire en zelfs sensationele resultaten. Aanvankelijk in de fruitvlieg Drosophila melanogaster, later ook in andere dieren, zijn "meestergenen' ontdekt waarvan de eiwitprodukten hele batterijen andere genen aanschakelen of onderdrukken.

Met een scala aan geavanceerde genetische technieken achterhalen onderzoekers nu welke effecten diverse genen in het zich ontwikkelende organisme sorteren. In snel tempo wordt het aloude probleem van de ontwikkeling "opgerold'. Viel er tot nu toe slechts één Nobelprijs in de ontwikkelingsbiologie (Hans Spemann, 1935), het is beslist niet ondenkbaar dat er voor het einde van de eeuw nog enkele zullen volgen.

Gezien de spectaculaire vorderingen is het vreemd dat er over dit veld tot nog toe geen populair-wetenschappelijke boekwerken zijn verschenen. The Triumph of the Embryo van de vooraanstaande Britse ontwikkelingsbioloog Lewis Wolpert is voorlopig het enige. Zijn initiatief verdient lof, maar helaas valt het resultaat tegen. Hoe informatief, correct en up to date ook, het boek lijdt aan drie ernstige zwaktes.

In de eerste plaats is het taalgebruik van Wolpert gortdroog. Hij schrijft in de objectiverende, steriele stijl kenmerkend voor wetenschappelijke artikelen (maar ongeschikt voor een boek voor de leek), en hij gebruikt onnodig veel moeilijke woorden. Wolpert is in zijn boek kortom teveel de wetenschapsman die hij in zijn gewone doen is en te weinig verteller.

De tweede zwakte is het gebrek aan een coherente opbouw. Alle relevante onderwerpen (groei, differentiatie, patroonvorming, DNA, homeoboxgenen, hersenen, seks, regeneratie, evolutie etc.) komen in de vijftien hoofdstukken braaf aan de orde, maar wat ontbreekt is een overtuigend narratief verband.

De derde, onvergeeflijke zwakte is dat de vele getekende figuren in het boek niet zijn voorzien van bij- en onderschriften. Ze zijn weliswaar ongeveer daar in de tekst geplaatst waar ze ter sprake komen, maar dat betekent allerminst dat de interpretatie eenduidig is. Zich ontwikkelende embryo's zijn ruimtelijk bijzonder ingewikkeld, en daardoor moeilijk in twee dimensies te visualiseren. Goede, ondubbelzinnige figuren zijn absoluut, maar dan ook absoluut onontbeerlijk.

Omdat Wolperts boek tot nog toe het enige in zijn soort is, gaat het misschien wat ver om het categorisch af te raden. Het is degelijk en er valt een hoop uit te leren. Maar het is wel érg saai. Er moet een toegankelijker, helderder en meeslepender boek te schrijven zijn over een wetenschapsgebied dat zich in zo'n opwindende en revolutionaire fase bevindt.