Een ander type reünist

Na vijfentwintig jaar kon het vorige week weer: de intocht van reünisten van het Amsterdamsch Studenten Corps en de Amsterdamse Vrouwelijke Studenten Vereniging ter ere van een lustrum. Het lag voor de hand dat hier en daar in de stoet werd gediscussieerd over de vraag of dit nu een voorbeeld was van restauratie. “Eigenlijk is er niets veranderd”, stond tegenover “Je verkijkt je op de buitenkant”.

In beknopt bestek werd daar de discussie gevoerd die binnen de sociale wetenschappen - met name onder sociologen en politicologen - al langer gaande is. Zijn de veranderingen die eind jaren zestig, begin zeventig op gang kwamen uitgelopen op een wezenlijke ommezwaai in de Westerse cultuur, die de benaming Grote Alteratie verdient? Of is het slechts een tijdelijke storm geweest, waarna sinds de jaren tachtig de culturele zee weer in vertrouwde deinig voortklotst?

't Is moeilijk kiezen, maar ik neig tot het eerste, omdat er tegenwoordig althans één niet terug te draaien gegeven is dat vóór de jaren zestig ontbrak, de beschikbaarheid van veilige voorbehoedsmiddelen. Ik heb het gevoel dat de invloed daarvan wordt onderschat. Het wordt wel altijd erkend als belangrijke factor in de vrouwenemancipatie en moderne verhoudingen tussen mannen en vrouwen. Angst voor zwangerschap legde voorheen een lichte nevel en voor sommigen zelfs een grauwsluier over de seksualiteit, één van de levensaders van jong en oud. Dat is aan jonge mensen van nu nauwelijks uit te leggen. Theoretisch begrijpen ze het wel, maar doorvoelen hoe dat was, kunnen ze niet. Dat vond ik enige tijd geleden bijvoorbeeld een anachronisme in de film Bij nader inzien over het Amsterdams studentenleven eind jaren veertig, begin vijftig. Die jongens en meisjes gingen veel te onbekommerd met elkaar om. Zo was het niet. Lopend in de reünistenstoet kon ik me het zo weer voor de geest halen. Het getob hoe ver je kon gaan. Het gefluister over abortus. En de narigheid van wie met wie moest trouwen.

De pil kan niet genoeg geprezen worden. Maar is de invloed ervan nog niet veel dieper in de cultuur doorgedrongen dan alleen in de verhouding tussen de seksen?

Twee jaar geleden schreef de psycholoog en historicus Lloyd deMause een essay over de opvoedingsgewoonten in de Sovjet-Unie. Hij is een belangrijke vertegenwoordiger van de opvatting dat de verhouding tussen ouders en kinderen bepalend is voor een cultuur. Dáár immers worden de karakters gevormd van de nieuwe cultuurdragers. Slechts veranderingen in de opvoeding - die op gang worden gebracht door technologische en sociaaleconomische veranderingen - maken volgens deze denkrichting fundamentele wijzigingen op lange termijn in de cultuur mogelijk. In het essay wil hij aantonen dat de omwentelingen in Oost-Europa pas nu konden doorzetten, nu er voldoende volwassenen zijn die humaner zijn grootgebracht dan gebruikelijk was. Tsaren zowel als communistische machthebbers konden volgens deMause hun gang gaan omdat de traditionele Russische opvoeding mensen voortbracht met angst voor onafhankelijkheid, behoefte aan orde en toezicht, en een instabiel gevoelsleven.

Ik kan niet beoordelen of hij gelijk heeft, al kan ik me er wel iets bij voorstellen. Ik vroeg me echter af of ook in het Westen geen fundamentele culturele veranderingen op gang zijn gekomen door veranderingen in de opvoeding. Die werd althans in deze eeuw gekenmerkt door het kanaliseren van seksuele lust en egocentrische agressie in de richting van leren op school. Pianoles, eerlijk delen, hockey en een verstandige huwelijkskeuze.

Freud vergeleek het proces van cultuurvorming zelfs met het droogleggen van de Zuiderzee (“Wo Es war soll Ich werden, es ist Kulturarbeit, etwa wie die Trockenlegung der Zuyderzee”). Het Ich dat bemiddelt tussen het oorspronkelijke driftleven en de eisen van de beschaafde mensenwereld. In de opvoeding betekende dat eerst doen wat je ouders willen (gehoorzaamheid) en daarna ook zelf willen wat je ouders willen (identificatie).

Toen althans een deel van het Es - de seksuele lust - iets minder beheersing van node maakte, omdat de ongewenste gevolgen konden worden verhinderd - een technologische factor in de zin van deMause - heeft dat in een uitwaaierend effect op één of andere manier de hele opvoeding vrijer gemaakt. Ook ouders die niet meegingen met de gekte van de anti-autoritaire opvoeding werden ten aanzien van hun kinderen minder inperkend dan voorheen. Hun eigen bevrijde gevoel zette door in hun ouderschap.

In 1983 werkte ik mee aan een enquête onder ouders waarbij zij moesten aangeven wat zij belangrijk vonden om hun kinderen bij te brengen en wat zij dachten dat hun ouders indertijd belangrijk hadden gevonden. Eerlijkheid stond in beide gevallen onbetwist bovenaan, maar terwijl gehoorzaamheid voor de eigen ouders als duidelijke tweede werd genoemd, was die voor de ouders zelf totaal van het toneel verdwenen.

Een interessante vraag is nu of identificatie met de normen van de ouders - de normen van de cultuur - ook mogelijk is zonder tussenkomst van gehoorzaamheid, zonder het je neerleggen bij de wensen van je ouders omdat je die als afhankelijk kind nu eenmaal te vriend moet houden. Hechte theorieën over hoe die overdracht ook anders kan, zijn er eigenlijk niet.

Hier zou dus één van de mogelijke oorzaken kunnen liggen van de betreurde normvervaging. Zonder gehoorzaamheid geen identificatie, zonder identificatie geen cultuuroverdracht. En dat alles door de technologische vooruitgang die resulteerde in de pil en daarmee op lange termijn in een ander type reünist.