Droomkans op de macht voor mujahedeen

PESHAWAR, 25 APRIL. Veertien jaar lang hebben de Afghaanse verzetsstrijders, de mujahedeen, smachtend uitgezien naar de dag waarop ze de door Moskou geïnstalleerde machthebbers uit de hoofdstad Kabul konden verdrijven. Nu is het zover en krijgen ze de sleutels van de stad op een presenteerblaadje aangeboden. Het enige wat van hen verlangd wordt is dat zij het onderling eens worden over een overgangsbewind. De verzetsleiders lijken niet bij machte aan deze simpele voorwaarde te voldoen, al is een overeenkomst op het laatste nippertje niet geheel uit te sluiten.

Zelfs de door de wol geverfde VN-diplomaat Benon Sevan, die de afgelopen maanden keihard heeft gewerkt aan een vreedzame oplossing van de Afghaanse crisis, verloor deze week zijn zelfbeheersing. De mogelijkheid dat de mujahedeen deze droomkans om het conflict zonder verder bloedvergieten te beëindigen verprutsen, bracht hem tot een reeks stekelige opmerkingen over zijn onderhandelingspartners. Die houden volgens hem alleen maar halsstarrig vast aan de verwezenlijking van hun eigen ambities.

Wat ook de einduitslag van de mujahedeen-beraadslagingen mag zijn, het valt niet te loochenen dat de Afghanen behept zijn met een rijkelijke dosis koppigheid en kortzichtigheid. Het is niet voor het eerst dat de mujahedeen hun eigen glazen dreigen in te gooien. Op cruciale ogenblikken wanneer een slagvaardige gezamenlijke politiek was vereist, verzandden de onderhandelingen van de politieke leiders van de mujahedeen de afgelopen jaren steeds in oeverloze ruzies, daarmee soms hun militaire successen teniet doend.

Zonder reden zijn de aanhoudende meningsverschillen van de leiders van de partijen niet. Er liggen wel degelijk enkele belangentegenstellingen aan ten grondslag. Een diepe kloof scheidt hen op religieus, ideologisch en etnisch terrein. Daarnaast spelen historische factoren een rol.

De door ontoegankelijke bergen van elkaar gescheiden Afghanen hebben door de eeuwen heen een krachteloos centraal gezag gehad. Buiten Kabul en enkele andere kleine steden hebben de Afghaanse vorsten nooit veel te vertellen gehad, op het land werd de dienst uitgemaakt door stamhoofden en mullahs. Ondanks hun zeer gewelddadige optreden en de rijkelijke steun uit Moskou slaagden ook de communisten er na hun staatsgreep van 1978 niet in de rest van het land in hun greep te krijgen. Ook hun gezag bleef tot de steden beperkt.

Net als vroeger blijft de Afghaanse samenleving nog altijd bijzonder versnipperd en is samenwerking op nationaal niveau eerder uitzondering dan regel. Men is nooit erg geneigd geweest in termen van nationaal belang te denken. Dat neemt niet weg dat er zich door de oorlog een aantal belangrijke veranderingen heeft voorgedaan en dat de oude stamhoofden en mullahs niet meer zo de toon aangeven als voorheen.

Tijdens de strijd tegen de communisten zijn er voor het eerst heuse partijen ontstaan. Voor 1978 was de politiek in Afghanistan een amorf geheel van voortdurend wisselende coalities tussen losse stamverbanden die bij elke nieuwe kwestie weer konden veranderen. Tegenwoordig bestaan er partijen met nationale pretenties en een programma voor de hele samenleving.

De voornaamste twee partijen zijn die van Hizb-i-Islami onder leiding van Gulbuddin Hekmatyar en Jamiat-i-Islami onder aanvoering van prof. Burhanuddin Rabbani. Ook de invloedrijke guerrillaleider Ahmed Shah Massoud maakt van deze laatste deel uit. Beide partijen hebben aanhangers uit zeer uiteenlopende streken van Afghanistan. Vooral jonge intellectuelen en beter geschoolden voelen zich ertoe aangetrokken.

Zij zijn vertrouwd met de fundamentalistisch islamitische beweging in landen als Iran en Egypte en zouden graag een moderne islamitische staat vestigen in Afghanistan. Hekmatyars groep is daarin echter beduidend radicaler dan de betrekkelijk gematigde Jamiat-groep. Al als student in Kabul, begin jaren zeventig gooide Hekmatyar zelf met gevaarlijk zuur naar meisjes die minirokken droegen en ook nadien heeft voor hem het doel altijd de middelen geheiligd.

Met oude stamverbanden hebben beide partijen niet veel op. Een andere eigenschap van de partijen, in het bijzonder die van Hekmatyar, is dat zij strak zijn georganiseerd. Naast de Hizb en Jamiat zijn er nog twee andere partijen die eveneens een staat op islamitische grondslag wensen: een tweede maar veel gematigder Hizb-i-Islami onder leiding van de bejaarde Yunis Khalis en Itehad-i-Islami, een klein radicaal partijtje van Abdul Rasul Sayaf.

Van een geheel andere snit zijn de drie zogeheten traditionele partijen: Harakat-i-Inqilab, Mahaz-i-Islami en Jabha-i-Nijad-i-Milli. Die worden geleid door vooraanstaande figuren uit de tijd van voor de communistische coup. Zij steunen vooral op groepen uit de conservatieve Pathaanse tribale gebieden en zijn zeer losjes georganiseerd. Het liefst zouden zij terugkeren naar de oude vertrouwde toestand van voor 1978, waarbij zij en niet jongere sterren als Massoud en Hekmatyar de lakens uitdelen. Een islamitische revolutie als in Iran is voor hen een schrikbeeld.

Behalve deze religieuze en ideologische tegenstellingen blijft er een diepe etnische kloof bestaan. Ook Jamiat en Hekmatyars Hizb kunnen zich daaraan niet onttrekken. Hekmatyars volgelingen komen bijna zonder uitzondering uit de Pathaanse gebieden, die van Jamiat uit het noorden, vooral uit de Tadzjiekse gebieden. Beiden spreken verschillende talen, het Pashto en het Perzisch, en wantrouwen elkaar zeer. Het is mede hierdoor dat Massoud en Hekmatyar nu als kemphanen tegenover elkaar staan.

De etnische kwestie maakt het ook lastig voor de andere partijen om een standpunt te kiezen. Terwijl zij op zichzelf meer sympathie hebben voor de gematigde opstellingen van Jamiat, weegt voor hen zwaar dat die partij vooral door Tadzjieks wordt geleid. Het is volstrekt onduidelijk hoeveel steun de verschillende partijen bij de Afghaanse bevolking genieten. Waarschijnlijk heeft de meerderheid niet veel op met radicaal fundamentalisme. De meeste Afghanen zijn weliswaar vroom, maar overigens zeer behoudend en niet bijster geïnteresseerd in de landelijke politiek.

De belangrijkste steun voor Jamiat en Hizb komt vermoedelijk uit Pakistan en Iran, waar in totaal zo'n vijf van de circa zestien miljoen Afghanen een toevlucht heeft gezocht in afwachting van betere tijden. Zij zijn blootgesteld geweest aan andere ideeën en een andere, meer moderne samenleving dan zij gewoon waren en velen voelen zich aangetrokken tot de radicale partijen.

Een andere belangrijke factor is dat de vier min of meer fundamentalistische partijen, met name Jamiat, een veel actievere rol hebben gespeeld in het gewapende verzet tegen de communisten dan de drie traditionele partijen. Op grond hiervan menen de fundamentalisten aanspraak te kunnen maken op meer macht in de nieuwe constellatie dan de traditionelen. Vooral Jamiats Massoud, de meest succesvolle aanvoerder, heeft wat dit betreft sterke troeven in handen. Hekmatyar, wiens partij beduidend minder heeft laten zien op het slagveld, staat er ondanks zijn beweringen van het tegendeel minder florissant voor.

Dit laatste kan ertoe leiden dat Hekmatyar, wiens onwil tot elk compromis tot nu toe een van de voornaamste struikelblokken bij de onderhandelingen over een overgangsbewind is geweest, te elfder ure alsnog water bij de wijn doet.