De terugkeer van de luxe en decoratie in de sieraadkunst

Tentoonstelling: Nederlandse sieraden: recente aanwinsten en een nieuwe opstelling. Gemeentemuseum Arnhem, Utrechtseweg 87.

In de zomer van 1990 organiseerde Dutch Form, een stichting die hedendaagse Nederlandse vormgeving onder de aandacht van het buitenland brengt, een sieradenexpositie in Portugal en Tsjechoslowakije. De expositie, News from the Netherlands, was allereerst in het Gulbenkianmuseum in Lissabon te zien.

Het toeval wil dat dit museum een grote verzameling Lalique-juwelen bezit die permanent opgesteld staat. René-Jules Lalique (1860-1945) geldt als de onbetwiste grootmeester van het fin-de-siècle sieraad. In kostbare en vaak buitenissige materialen (ivoor en hoorn) verwerkte deze Franse edelsmid de decoratieve motieven uit de Art Nouveau. Langharige Medusa's en Ophelia's, libellen en pauwen bevolken adembenemende kammen, gespen, hangers en broches.

Vijfentwintig jaar geleden zou een tijdelijk verblijf onder één dak met Lalique voor de Nederlandse sieraadontwerpers volstrekt ondenkbaar zijn geweest. Een jonge generatie vormgevers, onder meer Gijs Bakker, Emmy van Leersum en Nicolaas van Beek, revolteerde omstreeks 1965 tegen dit soort gala-achtige statusobjecten. Zij zwoeren artistiekerige ambachtelijkheid af en prefereerden voor hun industrieel vervaardigde werkstukken aluminium, rubber en kunststof boven goud en edelstenen. Hun objecten baseerden zij op cirkels en vierkanten en sloten daarmee aan op de beeldende kunst van Ad Dekkers en Bonies. Maar principes en theorieën hebben de neiging te verwateren. Wat Dutch Form op reis stuurde, dateert uit de late jaren tachtig en is voor een groot deel gemaakt door jonge, minder orthodoxe ontwerpers die zich meer vrijheden permitteren.

Die nieuwe sieraden zijn sinds kort in het Gemeentemuseum in Arnhem te zien. Uit de teruggekeerde tentoonstelling kon het museum via de Tijdelijke Aankoopregeling Beeldende Kunst een kleine tachtig objecten kopen. De aanwinsten vormden een aanleiding om de ruimte voor sieraden uit te breiden.

Conservator toegepaste kunst, Hadewych Martens: “Het museum bezat al een fraaie verzameling sieraden uit de tumultueuze jaren ná 1965, al bleef die voornamelijk in de depots. Nu we meer vitrines hebben ingericht, kunnen we ontwikkelingen in kaart brengen en ook aan thema's zoals sieraden van soepele, zachte materialen - veren, textiel, papier - aandacht besteden. Bepaalde kunstenaars, onder wie Onno Boekhoudt, volgen we door deze aankoop ook in hun latere werk. Boekhoudt maakt zilveren sieraden waarvan de huid een intrigerende groefstructuur vertoont. De laatste jaren ontstaan ook "losse' objecten, niet bedoeld om op of aan het lichaam gedragen te worden. Uit de verzameling van Dutch Form hebben we, behalve acht ringen, ook zo'n "juweelobject' aangeschaft.”

In het werk uit de jaren zeventig blijven Maria Hees' armbanden, gemaakt uit tuinslang, nog altijd een mijlpaal. Hier is het onverzoenbare verzoend: de "Arte Povera' toegetreden in de tak van toegepaste kunst die traditioneel wil flonkeren en schitteren. De wit-zwarte perspex armband van Antoinette Vroom provoceert in mindere mate. De band is het resultaat van haar onderzoek naar geometrische vormen. Er zijn twee losse delen, beide geen cirkel meer, en nog geen echt vierkant. De delen passen op verschillende manieren in elkaar. Materiaal, vormgeving, multipliceerbaarheid en (sober) kleurgebruik maken Vrooms sieraad tot een schoolvoorbeeld van de principes uit de tijd van ontstaan. Toch lijken de armbanden niet "gedateerd', in de negatieve betekenis van het woord.

Vanaf het midden van de jaren tachtig worden de taboes op luxe en decoratie doorbroken: goud en edelstenen mógen weer en kleurigheid is toegestaan. Annelies Planteydt kiest onbekommerd achttienkaraats goud voor een halssnoer en Annemarie Timmer neemt voor een extravagant halssieraad een goedkoper materiaal, namelijk hout, maar schildert de bloem- en bladdelen in buitengewoon feestelijke kleuren. De twee objecten behoren tot de aanwinsten.