DE ONHERROEPELIJKE OPMARS VAN DE MINISTER-PRESIDENT

Regeringsleider in Europa. De rol van de minister-president door S. Rozemond 31 blz., Clingendael 1992 (Clingendael Notities), f 8,-- (incl. f 2,--) verzendkosten. Te bestellen bij Clingendael, tel. 070-3245384) ISBN geen

De positie van minister van Buitenlandse Zaken Hans van den Broek is langzamerhand buitengewoon problematisch geworden. Zit hij deze kabinetsperiode uit, aangeschoten maar niet néérgeschoten, om vervolgens lijdzaam te wachten op een nieuwe werkkring die wordt aangeboden? Vergaat het hem als zijn verre ambtsvoorganger Melvill van Lynden? Deze ging zozeer gebukt onder het overheersende optreden van raadsvoorzitter Abraham Kuyper (spottend "minister van buitenlandse reizen' genoemd), dat hij ten slotte zelf zijn ontslag aanbood. Of wordt Van den Broek in de tijd die het kabinet nog rest, gedwongen tot aftreden, na het wederom spelen van hoog spel, zoals in de kwestie rond de levering van duikboten aan Taiwan - maar dan met voor hem minder goed gevolg?

Hoe het ook afloopt, de les die nu al uit het recente verleden kan worden getrokken, is dat de huidige verhouding tussen de minister-president en de minister van Buitenlandse Zaken nadere regeling verdient. Dat vond ook premier Lubbers, toen hij anderhalf jaar geleden in het kabinet concrete afspraken wilde maken over de relatie met de minister van Buitenlandse Zaken, ""binnen de grenzen van een goede maatvoering' en met als doel ""een praktisch evenwicht' te bereiken. Zo oordeelde eveneens de commissie-Deetman die zich bezighoudt met staatkunddige vernieuwing, getuige een eerste conclusie dat voor het optreden van de minister-president in het buitenland op z'n minst "werkafspraken' nodig zijn.

Een nadere regeling van de verhouding tussen minister-president en minister van Buitenlandse Zaken mag zo in het verschiet lijken te liggen, het leed van Hans van den Broek wordt er vooralsnog niet door verzacht. Niet dat hij een slechte minister is, integendeel. Nederland heeft ministers van Buitenlandse Zaken gekend, die aanmerkelijk zwakker waren dan Van den Broek (Van der Klaauw) of met veel minder inzet het ambt vervulden (Luns). Van den Broek beheerst zijn dossiers - en daar gaat het in belangrijke mate om in politiek Den Haag - zelfs buitengewoon goed. Maar dan komen we al vanzelf bij het probleem.

Want, zo drukte een CDA-fractielid zich onlangs in deze krant uit, ""op elke pagina van die dossiers staan de duidelijke vingerafdrukken van de premier'. Het is waar: Lubbers kent Van den Broeks dossiers bijna net zo goed als de minister zelf, en dat geldt trouwens ook voor de dossiers van zijn twaalf andere collega's. Lubbers is als minister-president in wezen de ongekroonde koning van Nederland, en regeringsleider in Europa bovendien. En dat is de kern van het probleem voor Hans van den Broek.

AANZIENLIJKE MACHT

Regeringsleider in Europa: de rol van de minister-president is de titel van een publikatie van dr. S. Rozemond in de serie Clingendael Notities. De brochure maakt onderdeel uit van verschillende publikaties die in de laatste tijd over de staatsrechtelijke positie van de minister-president en de persoon van Ruud Lubbers zijn verschenen. Voordien was van intensieve wetenschappelijke en journalistieke aandacht voor (de bekleder van) het belangrijkste politieke ambt in ons land nauwelijks sprake. Het valt Rozemond te prijzen dat hij op het vakgebied van de internationale betrekkingen hierin verandering brengt.

In zijn geschrift concentreert hij zich op de vraag in hoeverre binnen ons staatsbestel de figuur past van een regeringsleider met aanzienlijke macht in het buitenland. Bovendien zegt Rozemond de ""diplomatieke voordelen' van een regeringsleider in het internationale verkeer te willen wegen. Helaas doet hij juist dat maar nauwelijks. Het is zelfs verbazend hoe weinig Rozemond "van binnen naar buiten' kijkt, met andere woorden beoordeelt of de Nederlandse minister-president met de thans aan hem toegekende bevoegdheden internationaal gezien uit de voeten kan.

Wel vernemen we dat de specifieke gezichtshoek van de minister van Buitenlandse Zaken in het gedrang zal komen met een primaat voor de minister-president in de internationale politiek. We lezen dat de premier binnen coalitiekabinetten niet de geeigende persoon is voor het afwegen van machtspolitieke risico's en we worden erop gewezen dat het gevaar dreigt van een verlies aan politieke status van de ministerraad. Maar juist vanuit het perspectief van internationale betrekkingen (het terrein waarop Rozemond zich beweegt) zijn de interessante vragen: wordt de Nederlandse minister-president in internationaal gezelschap voor vol aangezien? Vervult onze minister van Buitenlandse Zaken in vergelijking met ambtgenoten een belangrijke rol, juist omdat de formele positie van "zijn' minister-president minder zwaar is? Rozemond geeft hieromtrent geen opheldering.

PERSONALITY-SHOW

Los van de discussie die wetenschappers en politici over de ontwikkeling van het minister-presidentschap voeren - en soms ook uit de weg gaan, bijvoorbeeld als het de gekozen premier betreft - evolueert het ambt snel. Kort geleden was dat weer heel fraai waar te nemen. Premier Lubbers werd gevraagd naar een reactie op de uitslag van de Britse verkiezingen. Vanuit de ""emoties in zijn lijf' bleek hij over het succes van John Major buitengewoon verheugd, daarmee ongetwijfeld niet de emoties van de coalitiepartner vertolkend. Het media-optreden van de minister-president bestaat steeds minder uit ""woordvoering namens de ministerraad'; de premier verzorgt inmiddels op de vrijdag een indrukwekkende personality-show.

Lubbers onderneemt echter geen al te uitdrukkelijke pogingen zijn positie te versterken. Voorgangers als Kuyper en Gerbrandy waren minder voorzichtig in hun ambities tot invoering van een daadwerkelijk premierschap en bereikten precies het tegendeel van wat zij beoogden. De huidige minister-president ging voor zijn doen al zeer ver door onlangs ""niet uit te sluiten' dat feitelijk de premier zich in de richting van een regeringsleider zal ontwikkelen.

Van aanpassing van het staatsrecht aan de evolutie van het ambt wil Rozemond overigens niet weten. Dat het minister-presidentschap, zoals het in de praktijk gestalte heeft gekregen, uitgroeit tot een waterhoofd, is kennelijk voor hem niet van voldoende belang. Het is vooral de collectieve ministeriële verantwoordelijkheid die zich in de ogen van Rozemond tegen een belangrijke formeel-juridische aanpassing verzet. Maar die collectieve verantwoordelijkheid is in feite een fictie, en dat bewijst Rozemond zelf eens te meer door het opnemen van een citaat van staatssecretaris Dankert over premier Lubbers: ""Bovendien telefoneert hij veel, alleen weet ik niet met wie'.

Peter Rehwinkel promoveerde in 1991 op "De minister-president. Eerste onder gelijken of gelijke onder eersten?' (W. E. J. Tjeenk Willink)