De nationale toon

Het was op een bijeenkomst waar de prijs voor een kunstzinnige prestatie zou worden uitgereikt.

De winnaar was al bekend, het had in de krant gestaan, maar de plechtigheid moest nog worden afgewikkeld. Je krijgt dan het sociaal verkeer tussen vakgenoten die al een prijs hebben en anderen die er nooit een zullen krijgen. Hoewel het niet onmiddellijk op de situatie sloeg, moest ik denken aan een versregel van Gerrit Komrij: "Hoera! Mijn vriend z'n boek ligt bij De Slegte." Ik geloof dat ik de dichter niet volstrekt wortlaut citeer; in ieder geval ben ik niet ver van de strekking. Sommige artiesten wisten elkaar goed te vermijden; anderen hielden met een verbeten trek om mond en ogen een gesprek op gang. 't Was niets bijzonders, niets ernstigs, het zou de volgende dag allemaal weer in andere gezelschappen worden oververteld, nabesproken, en misschien zelfs hier en daar tot een column worden verwerkt.

De voorzitter van de jury ging achter de lessenaar staan, wrikte aan de microfoon alsof hij een popzanger was en controleerde de volgorde van de blaadjes. Iedere redenaar weet hoe belangrijk die volgorde is. Hij moet op zijn tekst kunnen vertrouwen. Met redevoeringen gaat het als met de opruiming van de barricades in de Vondelstraat, die burgemeester Wim Polak tot een uitspraak heeft gebracht waardoor hij onvergetelijk is geworden. "Als de colonne in beweging is, kan deze niet meer worden gestopt". Als de redevoering is begonnen komt er bij de redevoerder uit wat er op het papier staat tot het laatste blaadje is afgewerkt. Als blaadje drie op de plaats van blaadje twee ligt wordt de tekst in die volgorde ten gehore gebracht. Misschien merkt de spreker dat er iets is misgegaan, maar als hij met voldoende aplomb doorgaat, zullen de meeste toehoorders denken dat het hun schuld is als ze het niet meer begrijpen. De anderen merken niets.

De voorzitter vertelde dat de taak van de jury niet eenvoudig was geweest. Er zijn mensen die dit begin als een gemeenplaats beschouwen, maar wat dan nog? Als je alles iedere dag zelf moest verzinnen, iedere dag het het wiel van de conversatie uitvinden, zou het een groot zwijgen in de wereld zijn. Als de taak van de jury niet eenvoudig is geweest, wil dit zeggen dat er veel van hoge kwaliteit moest worden beoordeeld. Degenen die geen prijs hebben gekregen worden op die manier toch geprezen.

Nee, zei de voorzitter, ze hadden daar met hun vijven een buitengewoon moeilijk karwei geklaard. Nachten lang doorgewerkt, toch weer aan de gewone dagelijkse arbeid begonnen, na het avondeten in afzondering opnieuw aan het jureren, zich door omvangrijke inzendingen heen gevochten, bek-af naar bed, dan weer vroeg op, vrouwen boos, enz. Sommige mannen in het publiek maakten hun boordeknoopje los. De voorzitter sloeg weer een blaadje om. Het verslag van het gevecht met de inzendingen ging langzamerhand over in een klaaglied. Hij was aan zijn laatste blaadje, nog altijd litanie. En de prijswinnaar is, zei hij, en noemde de naam.

Ik bleef nog even voor wat plichtmatig sociaal verkeer en nam de tram naar het station. Voor me zaten twee vrouwen van middelbare leeftijd in druk gesprek. Ze waren elkaar aan het verslaan met hun eigen kwalen en de ziektes in hun familie, een escalatie in misère. Tot Amersfoort had ik de coupée alleen. Daar kwam er een man binnen die schuin tegenover me neerplofte en begon te zuchten. Hij haalde een stapel papieren uit een koffertje, bladerde erin, zuchtte verder en keek even op, in mijn richting, met de blik die uitlokt tot betrokkenheid. Dat zag ik terwijl ik uit het raam keek; niet goed genoeg, want hij had de bres in m'n verdediging al ontdekt. ""Ze houden me nou al bijna een jaar aan het lijntje!'' zei hij.

Ik herkende de toon: het was de nationale toon, anders gezegd, onze unieke symbiose van de drie klankkleuren: zelfbeklag, verontwaardiging en machteloosheid. Dat was de derde keer die dag. Eerst de voorzitter, toen die twee dames en nu deze mishandelde reisgenoot.

Welk lijntje, vroeg ik.

Hij had van Amersfoort tot Hilversum nodig om me uit te leggen hoe hij een speelbal was geworden van sociale zaken, volkshuisvesting en een advocaat en een dokter die hem niet wilden begrijpen. Af en toe liet hij me een document zien, en dan zei hij: En wat denkt u! Mooi Niks!

Drie gevallen op één dag is voldoende voor een aanloop tot generalisering. Mijn conclusie is dat een onevenredig percentage van de Nederlandse conversatie bestaat uit klagen. Over de oorzaak daarvan heb ik een hypothese. De verzorgingsstaat heeft in de loop der jaren onze verwachtingen, niet alleen die we aan de overheid stellen, maar laat ik ze noemen onze existentiële verwachtingen, de bestaansverwachtingen veranderd. De eisen die we al stelden aan de anonieme instanties die voor ons moeten zorgen, hebben we langzamerhand uitgebreid tot iedereen, ook de luisteraars naar juryrapporten, ook degene naast wie we het openbaar vervoer delen. Dat enorme conglomeraat wordt benaderd met zucht & klacht.

Menselijkerwijs kan er natuurlijk geen sprake van zijn dat die klachten effect hebben. Daaruit ontstaat de verontwaardiging, het logisch vervolg op het niet verhoren van de klacht die men gerechtvaardigd acht. Dat is een kwestie van eenvoudige escalatie. Ook de verontwaardiging heeft niet het beoogde resultaat. Wie dit eenmaal beseft valt terug in machteloosheid. Door een dagelijkse, duizendvoudige herhaling van deze sequens is langzamerhand de grondslag gelegd voor de nationale toon.

Maar dit alles bij elkaar is nog niet voldoende om deze toon tot de nationale te verheffen. Van Freud en Jung weten we dat de verontwaardigd klagende machteloze toch nog één machtsmiddel rest. Dat is: harder klagen dan zijn/haar naaste. Van Orwell hebben we geleerd dat alle mensen gelijk zijn maar sommige mensen gelijker dan andere.

Zo is het ongeveer met de Nederlanders in het fin-de-siècle gesteld. Ze hebben het allemaal even erg, maar allemaal hebben ze het nog erger dan alle anderen.