DE LOZE LITANIEËN TEGEN LOE DE JONG

De Staat. Dr.L. de Jong en Indië: het proces van het Comité Geschiedkundig Eerherstel Nederlands-Indië tegen de Staat der Nederlanden over deel 11A van het "Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog' door Ralph Boekholt 416 blz., Moesson 1992, f 69,50 ISBN 90 70301 56 3

Dr. L. de Jongs geschiedschrijving van Nederland in de Tweede Wereldoorlog in 27 banden telt ruim 15.000 bladzijden. Daarvan is ongeveer één vijfde - meer dan 3000 pagina's - gewijd aan Nederlands-Indië. De commissie die een selectie van de reacties op De Jongs monumentale werk publiceerde, voegde daar nog eens zo'n 1100 bladzijden, dat wil zeggen 7%, aan toe. Maar de 560 pagina's van het Indische deel 11a lokten maar liefst 89 bladzijden overwegend kritische reacties uit. Dat was dus ruim twee keer zo veel als gewoonlijk. En nu zijn er weer 416 bladzijden bijgekomen. Is dit alles niet wat veel van het goede? Weegt Indië werkelijk zo zwaar in de oorlogsgeschiedenis van het Koninkrijk der Nederlanden?

Aan de vooravond van de oorlog bevonden zich alles bijeengenomen maar zo'n 80.000 Nederlanders in Indië en als men er de Indische Nederlanders bij telt, waren het er maximaal misschien 280.000. Zeker, daarnaast leefden bijna 70 miljoen inheemse onderdanen in de Indische archipel, maar zij spelen in De Jongs oeuvre en de discussie daarover slechts een ondergeschikte rol. Inmiddels is ook vast komen te staan dat Indië destijds in economisch opzicht van veel geringere betekenis is geweest dan vroeger wel is beweerd. De naoorlogse industrialisatie en economische groei van Nederland maakten duidelijk dat de volkshuishouding het zelfs beter kon stellen zonder de kolonie. In het vooroorlogse politieke debat fungeerde Indië op het tweede of zelfs derde plan. Parlement en regering besteedden er betrekkelijk weinig aandacht aan. De publieke opinie liet er zich niet veel aan gelegen liggen.

Zo lijkt naar objectieve normen en zuiver kwantitatieve maatstaven gerekend de aandacht die De Jong en zijn opponenten aan Indië hebben besteed tamelijk overdreven en buiten proporties groot. Maar natuurlijk berusten geschiedenis en geschiedschrijving niet uitsluitend op objectieve normen en kwantitatieve maatstaven. De Jongs meest fervente critici winden zich juist heftig op over zo'n "kille' benadering die onvoldoende recht doet aan het menselijke gevoel. Het zij hun toegegeven: dwaasheid, emoties en hartstochten zijn dikwijls van grotere historische betekenis.

CRUCIAAL BELANG

De Jong zelf kende aan zijn Indische delen uitzonderlijke betekenis toe. Hij schreef er in deel 11a een apart "Voorwoord' voor, hetgeen hij voor het overige alleen ter inleiding van zijn hele werk in deel 1 had gedaan. In dit "Voorwoord' achtte hij de datum van 17 augustus 1945 van cruciaal belang omdat toen de onafhankelijke Republiek Indonesië werd uitgeroepen. De Japanse capitulatie op 2 september 1945 achtte hij daarentegen, veelzeggend genoeg, in dit verband niet eens het vermelden waard. Tegelijkertijd kondigde hij aan ook aandacht te zullen besteden aan de verdere "ontvoogding' van Indië. Daaraan wijdde hij in de Epiloog van zijn oeuvre inderdaad nog eens liefst 400 pagina's, waarin zelfs de zaak Nieuw-Guinea, die zich tot in de jaren zestig voortsleepte, ruimschoots aan de orde kwam, overigens zonder dat hij daarover iets nieuws te zeggen had.

Het is duidelijk dat De Jong met deze opzet de perken van zijn onderwerp - het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog - te buiten ging. Ter rechtvaardiging voerde hij aan dat de dekolonisatie misschien wel het belangrijkste gevolg van de periode 1940-1945 is geweest. Vandaar ook dat hij zijn lezer meenam naar onder andere de prehistorische tijden in Oceanië, de oeroude rijstcultuur op Java, de organisatie van Hindoestaten tussen 300 en 1500 en het optreden van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in de 17de eeuw. Dit alles, en nog veel meer, om de dekolonisatie maar begrijpelijk te maken. Onduidelijk bleef waarom hij meende ook de geschiedenis van Japan tot vóór het jaar nul te moeten behandelen, zonder daarvan overigens serieus studie gemaakt te hebben.

Aan deze voorstelling van zaken kleefden drie bezwaren. In de eerste plaats bezondigde De Jong zich aan wat in de geschiedwetenschap bekend staat als historisme: de neiging om het verleden uitsluitend te interpreteren in functie van zijn latere uitkomsten. Daardoor dreigt alles wat in het verleden gebeurd is maar met het latere gebeuren in strijd is, of daarmee niet van doen heeft, als onbelangrijk beschouwd te worden of - erger nog - opzettelijk terzijde gelaten te worden.

Door de dekolonisatie voorts te beschouwen als gevolg van de oorlog ging De Jong in de tweede plaats voorbij aan de vele andere factoren en omstandigheden uit zowel vroegere als latere jaren, alsmede aan de talrijke internationale verwikkelingen, die er even zo goed gestalte aan gaven. Vandaar dat hij er van alles en nog wat bij haalde waardoor de oorlogsgeschiedenis, wat er aan vooraf ging èn de dekolonisatie ontaardde in een onontwarbare brij van feiten en al dan niet gemotiveerde meningen waarin alles met alles geacht werd samen te hangen. Intussen bleven andere, wezenlijke zaken buiten beschouwing.

Ten slotte viel De Jong, door onvoldoende analytisch onderscheid te maken tussen de oorlog en zijn gevolg, ten prooi aan een zekere zelfoverschatting. Mogelijk misleid door zijn alleszins respectabele afkeur van het kolonialisme (dat hij wat al te makkelijk met hebzucht vereenzelvigde), achtte hij zich kennelijk voldoende deskundig te bepalen wat door alle tijden heen het gehele, zeer ingewikkelde historische proces van de dekolonisatie heeft bepaald. Een platvloerse waarheid als een koe dat het Indonesische onafhankelijkheidsstreven een reactie was op het Nederlandse kolonialisme was hem voldoende om het ""noodzakelijk' te achten ook dit kolonialisme uitvoerig te bespreken.

TEKORTKOMINGEN

Geen wonder dat de oorlogsgeschiedenis zodoende wat uit het vizier raakte. Maar wie zo breedvoerig en selectief uithaalt, en tegelijkertijd zoveel buiten beschouwing laat, vindt op deelgebieden telkens weer geleerden tegenover zich die deskundiger zijn en hem met klem van argumenten terecht wijzen. Kortom, deel 11a van De Jongs Geschiedwerk (de hoofdletter is afkomstig van De Jong) is niet het beste of sterkste uit de serie, hetgeen natuurlijk niet wil zeggen dat het een wetenschappelijk onverantwoord geschrift is. Zijn tekortkomingen leenden zich echter - meer dan de andere delen - wel voor serieuze zakelijke kritiek, maar zoiets is niet ongewoon in de geschiedschrijving.

Met zijn aanpak opende De Jong echter ook de sluizen voor een stroom van hartstochtelijke, emotionele kritieken. Dat betekent overigens niet dat zo'n kritiek per definitie geen hout snijdt. Zo toonde de vroegere bestuursambtenaar en oud-gouverneur van Nieuw-Guinea, de latere hoogleraar J. van Baal, die geemotioneerd De Jongs voorstelling van zaken als ""beledigend en eenzijdig' verwierp, aan de hand van gedetailleerde feitenkennis diens schromelijke onkunde op zo'n essentieel gebied als de Indische landbouw aan. Maar de meeste aandacht trok een luidruchtig gezelschap, dat zich als Comité tot Geschiedkundig Eerherstel Nederlands-Indië tot spreekbuis maakte van de Nederlandse gemeenschap in Indië en dat met grote volharding en diep gefrustreerde bevlogenheid aan het werk toog.

Het verslag van de activiteiten van dit Comité is thans gepubliceerd in De Staat, Dr. L. de Jong en Indië, een boek dat door een schrikbarende hoeveelheid zetfouten wordt ontsierd. Tweederde van de tekst omvat het overzicht van de juridische strijd van het Comité tegen de Staat der Nederlanden als opdrachtgever van De Jong. Geen boeiende tekst en de juridische leek die de pleidooien van de advocaat van het Comité, mr. L. van Heyningen, op de voet volgt, raakt door diens gestuntel - het minst is nog dat hij de goede Bastiaan Bommeljé warempel tot professor bombardeert! - tot het vaste voornemen hem nooit en nimmer als pleitbezorger te kiezen.

GRIEVEND

Interessanter zijn de twee hoofdstukken waarmee Ralph Boekholt de zaak inleidt en de epiloog van dr. Th. Stevens die als historicus verbonden is aan de Universiteit van Amsterdam. Boekholts kritiek op De Jong is een wonder van eenvoud: deel 11a is bewust onvolledig, eenzijdig, negatief, grievend en onwetenschappelijk geschreven. Het is een stelling die tot vervelens toe wordt herhaald. Herhaling mag dan de kracht van de reclame zijn, in dit geval schiet zij haar doel voorbij want het gevoerde pleidooi verliest er veel van zijn overtuigingskracht door.

De gebezigde argumentatie schiet bovendien zeer te kort. Waar Boekholt onvolledigheid aantoont, slaagt hij er toch niet in aannemelijk te maken dat De Jong bewust feiten verzweeg. Het verwijt van negatieve eenzijdigheid gaat voorbij aan de omstandigheid dat het De Jong niet te doen was om een volledig beeld van het Nederlandse kolonialisme. Naar De Jong met zoveel woorden had verklaard, ging het er om duidelijk te maken dat het Indonesische onafhankelijkheidsstreven een reactie was op het kolonialisme. Over de juistheid van deze opvatting valt te twisten maar dat in dit perspectief de negatieve aspecten meer nadruk kregen dan de positieve spreekt vanzelf.

Trouwens, De Jong stipte zo nu en dan wel degelijk ook positieve aspecten aan. En wie heus meende dat De Jong bewust grievend en beledigend te werk was gegaan had beter een klacht op strafrechtelijke gronden tegen hem kunnen indienen. In plaats daarvan kwam het tot de eis aan de staat De Jongs werk te laten overdoen door een ""objectief', althans minder bevooroordeeld historicus. Deze eis is even onsympathiek als onzinnig. Ze gaat uit van de vaker gehoorde, maar daarom niet minder onjuiste stelling, dat De Jong, gegeven zijn overheidsopdracht, fungeerde als Rijksgeschiedschrijver, die als zodanig meer geloofwaardigheid en gezag geniet dan "gewone' historici.

Nu trad De Jong ondanks zijn overheidsopdracht praktisch gezien maar al te onafhankelijk op. Van zijn wetenschappelijke adviseurs trok hij zich feitelijk niet veel aan en die vrijheid hoorde hij ook te hebben want de verantwoordelijkheid berustte - afgezien van de staatsrechtelijke verantwoordelijkheid - uitsluitend bij hem en niemand anders. Bovendien is geschiedschrijving in opdracht, hetzij van particulieren, hetzij van de overheid, al met al niets bijzonders. Goede geschiedschrijving moet eenvoudig aan bepaalde regels voldoen. De Jongs deel 11a is wat dit betreft minder geslaagd. Maar het getuigt van slaafse gezagsaanbidding van Vadertje Staat om via deze te proberen die vermaledeide historicus in de hoek te zetten.

Boekholt en de zijnen beklagen zich er ook over dat zij als amateurs niet zijn opgewassen tegen de door de staat met geldmiddelen bevoordeelde beroepshistoricus De Jong. Uit dien hoofde, zeggen ze, zagen ze er van af zelf aan het werk te gaan. Het zij zo en wie het gelooft, gelooft het. Het ontgaat hun dat het alternatief niet is nòg meer geld voor nòg weer een historicus - net zo lang tot aan hun zin of frustraties is voldaan - maar gewoon helemaal geen geld voor geen enkele geschiedschrijver. Welnu, alle bedenkingen en bezwaren tegen De Jongs werk wassen niet weg dat hij in het algemeen op grootse, indrukwekkende, integere wijze aan zijn opdracht voldaan heeft. En wie het er niet mee eens is, kan niet beter doen dan hem - amateur of niet - aan de hand van eigen inspanningen te bestrijden. Dat is inmiddels ook ruimschoots en vaak doeltreffend gebeurd.

"CALIMERO-SYNDROOM'

Boekholt en de zijnen lijden, kortom, aan het "Calimero-syndroom' dat hen telkens, ook tegen beter weten in, doet herhalen dat Nederland onvoldoende aandacht heeft besteed aan zijn Indische gemeenschap van weleer. Dat is zo langzamerhand een bewering die te zot is om los te lopen. Wat zij in werkelijkheid horen willen, is dat die gemeenschap van zeer uitzonderlijke voortreffelijkheid is geweest, maar buitengewoon slecht behandeld is.

Het kortzichtige gedram en gezwam van het Comité Eerherstel zou bijna over het hoofd doen zien dat het wel degelijk ook punten weet te scoren. Zo herstelt Boekholt een verzuim van het deel "Reacties' op De Jongs oeuvre door een prachtig stuk uit de Bijdragen tot de Taal-, Land- en Volkenkunde op te nemen, waarin de Leidse emeritus-hoogleraar E. M. Uhlenbeck even hoffelijk als deskundig brandhout maakte van De Jongs bespreking van de Nederlands-Indische cultuurpolitiek voor inheemsen. Terecht treft De Jong het verwijt dat hij heeft nagelaten zich te oriënteren in de rijke collecties van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde en eigenlijk alleen maar vertrouwde op de zwakke afdeling van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie. Zo zijn er nog wel meer krenten in de pap. Te weinig voor een goede maaltijd. De nasmaak beklijft dat geschiedenis inderdaad enkel uit dwaasheid, emoties en hartstochten bestaat.