"De echte pijn moet nog komen'

MAURICE STRONG is voorzitter van de VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED), die in juni wordt gehouden in Rio de Janeiro. Daar moet de grondslag gelegd worden voor een gezonder milieu dat hand in hand gaat met economische groei voor alle landen. “Ik zou gemakkelijk een cynicus kunnen worden, maar dat kan ik mij niet permitteren.”

LONDEN, 25 APRIL. “Er tikt een tijdbom, maar die hebben we zelf gemaakt en we kunnen hem ook zelf onschadelijk maken.” Maurice Strong, de 62-jarige Canadese zakenman/milieuactivist die de komende VN-conferentie over milieu en ontwikkeling (UNCED) in Rio de Janeiro leidt, gelooft niet in het noodlot. “De menselijke aarde dreigt verwoest te worden door de ongeremde bevolkingsgroei en door de menselijke activiteiten.” Het blijft in zijn ogen “een uitdaging” die krachten te leren beheersen: vervuiling, ontbossing, het broeikaseffect, armoede, overbevolking, uitstervende dier- en pantensoorten - “zie het als een kankergezwel dat knaagt aan het voortbestaan van de menselijke soort”, zegt Strong. “De symptomen zijn er, maar de echte pijn moet nog komen. Alleen, als we er dàn pas wat aan doen is het te laat.”

Daarom reist hij sinds vijf jaar de wereld rond om de 175 deelnemende landen ervan te overtuigen dat "Rio' de “laatste kans zal zijn om de aarde te redden”. De beginselen daarvan staan in een concept-"Handvest voor de Aarde', dat kortgeleden is aangenomen en waarover in Rio opnieuw moet worden onderhandeld. De concrete maatregelen staan in de manshoge zogeheten "Agenda 21'.

Er zijn nog zo'n vijf weken te gaan. Volgens Strong bestaat inmiddels overeenstemming over “98 procent” van het programma voor duurzame economische ontwikkeling (groei zonder milieuschade). Maar schijn bedriegt. Zo heeft de Amerikaanse president Bush laten weten weinig te zien in stringente beperkingen van CO2-uitstoot, omdat dat Amerikanen - de grootste producenten van CO2 - zou dwingen hun consumptiepatroon te veranderen. Bush wil daarom nog steeds niet toezeggen in Rio aanwezig te zullen zijn bij wat wel eens een “bad deal” voor de VS zou kunnen zijn.

Deels uit wraak hebben de arme landen die aan UNCED deelnemen, de zogeheten groep van 77 ("G-77'), geweigerd verder te praten over een ander gevoelig principe, de beperking van de bevolkingsgroei.

De ongebreidelde groei van de wereldbevolking tot zo'n tien miljard in 2050 brengt deze landen in een vicieuze cirkel van armoede, economische recessie en vervuilende cq. uitputtende produktiemethodes. Welvarende en hoog-opgeleide gezinnen zullen hun nageslacht beperken, zo luidt de algemeen geaccepteerde redenering, maar veel Derde Wereld-landen zien hierin “een nieuwe vorm van kolonialisme”. Sommige landen - zoals Argentinië, de Filippijnen en Colombia - hebben bovendien gewetensbezwaren die door het Vaticaan worden gevoed.

Noodgedwongen voert Strong nu in alle richtingen de druk op. Tijdens een bijeenkomst in Londen van de World Commission on Environment and Development (WCED) - de zogeheten commissie-Brundtland - riep Strong president Bush op toch vooral in Rio te verschijnen, omdat “onze kinderen lang zullen onthouden wat onze leiders in Rio gepresteerd of nagelaten hebben”.

En tegelijkertijd stuurt hij aan op een verandering van het UNCED-principe dat beslissingen alleen bij consensus worden genomen. Over cruciale onderwerpen als het bevolkingsvraagstuk zou gestemd moeten worden, zegt Strong. “Het is het goed recht van die landen het oneens te zijn, maar nu komt dat neer op een tirannie van de minderheid - zij kunnen de conferentie laten mislukken. Hier hoort democratische besluitvorming de doorslag te geven.”

Heeft dit werk u de afgelopen twintig jaar niet cynisch gemaakt?

“Dat is verleidelijk, bijvoorbeeld als je regeringen in het openbaar iets geheel anders hoort verkondigen dan in de besloten onderhandelingen. Persoonlijk zal ik de vernietiging van de aarde vast niet meer meemaken, dus to hell with it, zou ik kunnen denken. En toch kan ik me dat niet permitteren - niet als onderhandelaar en niet tegenover volgende generaties.”

U bent zakenman èn milieuactivist. Is dat van invloed geweest op het ontsaan van het idee van duurzame groei?

“Vroeger was ik een anachronisme. Nu steeds minder. Doel van UNCED is het integreren van zakelijke belangen en milieu-eisen. Industriëlen en voorvechters van het milieu zitten in hetzelfde schuitje. Het bedrijfsleven moet leren milieu mee te wegen, en de milieubeweging moet eens leren begrijpen hoe het bedrijfsleven in elkaar steekt.”

Winst als motief.

“Ja. Maar er betaat een hoger verantwoordelijkheidsbesef. Wanneer het zakenleven door geld wordt gedreven betekent dat nog niet dat er geen andere motieven zouden zijn. Het is alleen slecht om alles alleen maar over te laten aan de hoogste morele waarden. Daar kunnen zakenlui niets mee.”

Het principe van de vrije markt heeft dezer dagen nogal de wind in de rug.

“Het is het beste systeem dat we hebben, maar het kan niet in een volledig ongereguleerde vorm. Ook nu al is dat trouwens niet zo. Onze defensieuitgaven zijn bijvoorbeeld geen produkt van de vrije markt. Als je je vroeger bedreigd voelde maakte je zelf een speer. Tegenwoordig is er een tussenpersoon - de regering - die de behoefte, de "markt' voor veiligheid vaststelt. En daarop kunnen bedrijven dan inspelen. Dat kan ook op milieugebied, zoals Japan bijvoorbeeld heeft bewezen.”

Maar dan wel ten koste van het milieu in andere landen, zoals in het geval van de Japanse hardhout-import.

“Dat is waar, maar het verandert nu. Zo heeft de Japanse industrie zich onlangs verplicht zich nationaal en internationaal even netjes te gedragen.”

Hoe gedraagt Japan zich de komende weken? Zal het zijn ontwikkelingshulp opvoeren tot meer dan twee miljard dollar, zoals nu wordt gefluisterd?

“Het gaat om meer dan in termen van geld is weer te geven. Die extra uitgaven die donorlanden ongetwijfeld zullen moeten doen zijn geen uitbreiding van ontwikkelingshulp in de gewone zin. Het motief moet zijn: mondiale veiligheid op milieugebied. Japan gaat in dit opzicht een leidersrol vervullen. Op de gebruikelijke militaire wijze kunnen ze die rol niet waarmaken, maar hier ligt een groeisector voor ze. En in dit opzicht liggen ze voor op Westerse landen.”

Een van de vice-presidenten van de Wereldbank suggereerde laatst om vervuilende industrie over te brengen naar de Derde Wereld, omdat die relatief "ondervervuild' zou zijn, waarna een storm van protest opstak. Dat voorstel lijkt erg op een door de VN aanvaard voorstel van de Conferentie van Founex in 1971, waarvan u voorzitter was.

“Wij zeiden destijds alleen dat elk land een zekere capaciteit heeft om vervuiling te absorberen zonder schade. Bovendien vonden wij dat wij Derde Wereld-landen niet op voorhand de mogelijkheid moesten ontnemen op die manier aan hun concurrentiepositie te werken. Maar "Founex' zei ook dat het argument van vervuiling niet gebruikt mocht worden om industrie aan te trekken. Desondanks vind ik dat de industriële capaciteit over de hele wereld gespreid moet worden. Daar profiteert het milieu van. En niet alleen het milieu, maar ook de werkgelegenheid in die landen.”

Wanneer wordt "Rio' een succes?

“Sommige pressiegroepen vinden dat wanneer niet alles van tevoren in kannen en kruiken is de conferentie een mislukking is. Zo is het natuurlijk niet. Er moet iets te onderhandelen blijven. En een kant-en-klaar medicijn voor al onze problemen is er niet. "Rio' is al een succes als we daarna de goede weg inslaan.”