Zo was het en zo is het niet meer; Het Nederlandse verleden in musea

Dit weekeinde zijn vierhonderd Nederlandse musea gratis toegankelijke vanwege het twaalfde Nationale Museumweekend. Bas Heijne bladerde door het Groot museumboek en bezocht enkele musea. Hij ontdekte dat er voor bijna ieder onderwerp, van kaas tot belastingen, een museum bestaat in Nederland. Hoe is dat te rijmen met het veel bediscussieerde nationale gebrek aan traditie?

Sinds enkele jaren heeft Amsterdam een Sexmuseum. Het bevindt zich aan het Rokin en zoals te verwachten valt, bestaat het overgrote deel van de bezoekers uit toeristen. Groepjes Italiaanse jongens en Amerikaanse middelbare dames schuifelen langs vitrines met Sex Door de Eeuwen Heen: ondeugende prenten, stout aardewerk en vunzige zwart-wit foto's. Tussen een etalagepop die Mata Hari voorstelt en een vitrine met originele brieven van de advocaat die haar verdedigde, laat een monitor seksfilmpjes uit de jaren dertig zien. In een apart vertrek met het opschrift Sex Bizarre (entrée op eigen risico) hangt het hetere werk. De inrichters van het museum hebben wat seksboekjes van het soort dat twee straten verderop volop in de etalages ligt uitgestald, van hun nietjes ontdaan en keurig thematisch aan de wanden gerangschikt: hier de SM, daar de grote borsten, verderop de afdeling leerjongens, met aan weerskanten nog wat dieren- en plasseks.

In het museum, dat een boeiende mengeling is van serieuze historische interesse en commercieel-toeristische ranzigheid, hangt niettemin een echte tentoonstellingssfeer. Er wordt weinig gesproken. Men buigt zich voorover om de bordjes met de begeleidende teksten te kunnen lezen en luistert aandachtig naar het bandje met het levensverhaal van Rudolf Valentino en Marilyn Monroe. De bezoekers stoten elkaar aan en wijzen elkaar op interessante details. Twee Franse dames discussiëren serieus over het ras van een hond op een van de foto's. Niemand gedraagt zich schichtig. Dit is geen seks-shop of pornotheater, dit is een Museum.

Het Sexmuseum staat niet vermeld in het Groot museumboek, waarin meer dan 800 Nederlandse musea worden beschreven. Je vraagt je af waarom eigenlijk niet. Waarschijnlijk hebben de samenstellers het ingedeeld bij de niet serieus te nemen musea, te vies, te weinig museum, net als bijvoorbeeld het Hasjmuseum, dat ook geen vermelding kreeg. Dat is vreemd, want deze twee musea beantwoorden juist volledig aan het profiel van een echt Hollands museum; als je tenminste afgaat op de talloze beschrijvingen in het Groot museumboek. Sterker nog, bladerend in dat boek, verbaas je je over het feit dat niemand eerder op het idee is gekomen een seks- of een hasjmuseum in te richten. In Nederland bestaat verder namelijk over ieder onderwerp een museum.

Je kunt het zo gek niet bedenken, of het wordt wel ergens tentoongesteld. Het Groot museumboek vermeldt een Likeurmuseum (Hilvarenbeek), het Nationaal Baggermuseum (Sliedrecht), het Nederlands Strijkijzermuseum (Noordbroek), het Kinderwagenmuseum (Niewwolda), het Klompenmuseum (Best), het Nationaal Biermuseum (Alkmaar), het Hollands Kaasmuseum (idem), de Museumbakkerij (Middelstum), het Tabaksmuseum (Kampen), het Museum voor de Bloembollenteelt (Limmen), het Eerste Friese Schaatsmuseum (Hindeloopen), het Liftenmuseum (Alphen aan de Rijn), het Oranjemuseum (Baarn), het Nationaal Spaarpottenmuseum (Amsterdam), het Belastingmuseum (Rotterdam) en het Naaimachinemuseum (Dordrecht).

Of die neiging om alles, letterlijk alles, in een museum onder te brengen typisch Nederlands is, weet ik niet, maar het is in ieder geval te opvallend om zonder betekenis te zijn. In de discussies over de Nederlandse identiteit of het ontbreken daarvan, die in tijden van Europese eenwording de allure van een nationaal debat lijken te hebben gekregen, wordt meestal het gebrek aan Nederlandse tradities onderstreept, de achteloos doorgesneden banden met het verleden. De Nederlander, zo is het afgelopen jaar tot vervelens toe beweerd, is iemand zonder gevoel voor het verleden, iemand die zich voortdurend richt op het nieuwe en niet op het oude, iemand ook die het buitenlandse per definitie hoger schat dan het nationale. Niemand die nog meer dan drie regels van Wilhelmus kan zingen, niemand die nog weet wat Jan Pietersz. Coen nu ook alweer precies heeft gedaan. Het verleden wordt hier eenvoudig gesloopt, platgewalst, weggesaneerd, tradities worden het liefst alweer afgeschaft nog voor ze goed en wel zijn ontstaan. De Nederlander, los van zijn wortels, gescheiden van alles wat hem met vroeger verbindt, is genoodzaakt tot slaafse imitatie van wat anderen - dat wil zeggen, anderen over de grens - doen.

Zulke argumenten - en nog heel wat andere met dezelfde strekking - zijn de afgelopen tijd genoeg over het voetlicht gebracht, maar hoe vallen ze te rijmen met al die volkse musea? Voorzover ik weet heeft niemand ze als tegenargument naar voren gebracht.

Neem bijvoorbeeld Het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem. Het Groot museumboek beschrijft het zo: “Naar buitenlands voorbeeld werd in 1912 het Nederlands Openluchtmuseum gesticht met het doel een zo objectief mogelijk beeld te geven van het dagelijks leven van de Nederlander in een niet al te ver verleden. Sindsdien zijn in het 44 hectare metende museumpark de tientallen boerderijen, woonhuizen, hutten, molens en werkplaatsen uit alle delen van Nederland herbouwd en authentiek ingericht met de oorspronkelijke meubelen, gebruiksvoorwerpen en werktuigen. Er worden demonstraties gegeven van oude ambachten als broodbakken en papier scheppen, en natuurlijk ontbreken de klederdrachten niet. Het park heeft een grote kruidentuin en twee pleisterplaatsen: restaurant "De Oude Bijenkorf" en dorpsherberg "De Hanekamp'.” Enkele jaren geleden werd dit museum nog door de overheid met sluiting bedreigd, maar tegenwoordig is het een van de drukbezochtste musea van ons land.

Diezelfde mix van oude huizen, oude ambachten en oude spullen heeft in het hele land een onweerstaanbare aantrekkingskracht. Het kost moeite om niet overweldigd te worden door de hoeveelheid potten en pannen, wasborden, wastobbes, fornuizen, broodtrommels, lepels en vorken, stenen ovens en platte buiskachels die overal tentoongesteld liggen. Oudheidkamers, museumboerderijen en ambachthuuskens blijken een ontzagwekkende hoeveelheid oude spullen te herbergen die dagelijks tussen negen en vijf drukbezocht en bekeken wordt. Het gaat om musea die bijna onzichtbaar zijn en die in geen enkel debat betrokken worden - er zijn nauwelijks kunstwerken mee gemoeid, er worden geen overzichtstentoonstellingen georganiseerd en geen delen van de collectie afgestoten.

Critici van de Nederlandse cultuur klagen over de onzorgvuldigheid waarmee Nederlanders met hun nationale erfgoed omgaan; wie het Groot museumboek leest vraagt zich af of er in Nederland de laatste honderdvijftig jaar ook nog iets is weggegooid.

Herbergen al die regionale, streek- en dorpsmusea, al die ambachten- en beroepsmusea nu de Nederlandse tradities waarnaar op dit moment zo druk gezocht wordt? Je zou zeggen van wel, wanneer je er tenminste vanuitgaat dat je iemands persoonlijkheid kunt aflezen aan wat hij besluit te bewaren. Wie iets conserveert dat op zichzelf niet veel waarde heeft, heeft een band met dat voorwerp. Maar het gaat er ook om hoe hij iets bewaart. Mij lijkt er sprake van een paradox: juist omdat Nederland een land met zo weinig levende tradities is, zijn er zoveel musea die het alledaagse van vroeger tot iets bijzonders maken. Wat in een museum wordt gezet, is op datzelfde moment geïsoleerd van zijn omgeving. Grootmoeders Keukenmuseum: aan de ene kant is die grootmoeder nog een vaag herkenbare figuur, met een deegrol en een fornuis, een wasbord en een stuk Klokzeep, anderzijds gaapt tussen haar en ons de kloof van de twintigste eeuw. Er is in de laatste honderd jaar eenvoudig te veel gebeurd; in dat opzicht staat grootmoeder net zover van ons af als de Holenmens. Het resultaat is nostalgie, een twee-dimensionaal verleden, de grootmoeder wier tijd in zoveel musea wordt verheerlijkt, is de oma van het portretje op de volautomatisch gebakken "omacake' in de rekken van de supermarkt, knus. Die combinatie van historische afstand en sentimentaliteit wordt mooi verwoord in de naam van een klein museum in Nieuwleusen (Overijssel): Zo Was 'T.

Zo was het en zo is het niet meer: dat is de verborgen boodschap van de meeste van zulke musea. Het sentimentele verlangen naar hoe het vroeger was, lijkt hand in hand te gaan met onverschilligheid ten opzichte van het heden. Wanneer de banden met het verleden werkelijk doorgesneden zijn, verandert dat verleden in een sprookjesland van eenvoud en knusheid, een wereld die in geen enkel opzicht meer aan het heden raakt.

Journalisten en cultuurcritici die zich maar blijven verbazen hoe weinig er in Nederland geprotesteerd wordt tegen lelijke nieuwbouw en stenen monstruositeiten die her en der verrijzen, moeten het aanstaande Museumweekend maar eens naar dat meesterwerk van oer-Hollands realisme gaan, het Panorama Mesdag in Den Haag. Daar staan iedere dag honderden mensen met open mond het geschilderde uitzicht op strand, zee en Scheveningen te bewonderden, terwijl het oorspronkelijke uitzicht de afgelopen decennia in een architectonische hel is herschapen. Zo was 't en zo is het niet meer; dat die ongerijmdheid de bezoekers niet spontaan in tranen doet uitbarsten, daarin ligt misschien wel de sleutel tot onze nationale identiteit. Het is overigens de vraag of veel mensen zich die ongerijmdheid bewust zijn, want het Strandhotel aan de boulevard durft ook nu nog te adverteren met een "Mesdag-uitzicht'.