Vrijdag 24; Altijd wat te doen

Herman Finkers, de intens populaire droogkomiek uit Twente, heeft zijn woonplaats Almelo hoog in het vaandel. Een grote stad zou hem alleen maar afleiden; liever zoekt hij de rust van de provincieplaats die hij heeft vereeuwigd in het schilderachtige gedicht: “Een stoplicht springt op rood, een ander springt op groen./ In Almelo is altijd wat te doen.”

Dezer dagen is in Almelo echter meer te doen dan hem lief is. Het plaatselijke theater, jarenlang een bron van financiële zorg voor de gemeente, is overgenomen door het Van der Valk-concern, dat er een "theaterhotel' van heeft gemaakt. De directie tracht er zoveel mogelijk "arrangementen' te verkopen - niet alleen een theaterkaartje, maar liefst een diner erbij en bij voorkeur ook nog een overnachting. Die zachte dwang heeft uiteraard het meeste effect bij voorstellingen met een hoog populariteitsgehalte. Bijvoorbeeld die van Finkers. Van de 750 kaartjes voor de voorstelling die Finkers er komend seizoen zou komen spelen, heeft men er dan ook bij voorbaat 250 afgezonderd die uitsluitend met diner en/of overnachting worden verkocht.

Dat is ons goed recht, verklaarde Van der Valk, want het theater wordt nu commercieel geëxploiteerd en daarom proberen wij het onderste uit de kan te halen. De jaarlijkse exploitatie-bijdrage van de gemeente (1,4 miljoen gulden, waarvan twee ton voor de programmering) geeft de plaatselijke bestuurderen blijkbaar niet het recht daarop enige invloed uit te oefenen; er is alleen een afspraak dat Van der Valk ook af en toe iets zal programmeren met minder commerciële potentie.

Finkers heeft echter besloten niet meer in de schouwburg van Almelo op te treden. “De 500 kaarten zijn snel op, dan zijn er alleen nog die 250 gereserveerde over,” zei hij tegen het blad Mens & Gevoelens. “Daar klopt toch niets van, dat gebeurt nergens. De bezoekers worden verplicht om iets te gaan eten - absurd.” Ook hij staat in zijn recht; een artiest kan nog altijd zelf bepalen waar hij optreedt en onder welke omstandigheden hij daar geen zin meer in heeft. En zo'n beslissing is des te gemakkelijker als hij weet, dat alle andere schouwburgen schreeuwen om méér Finkers.

Is de kous daarmee af? Nee, want ook in heel wat andere gemeenten zijn al lonkende geluiden in de richting van Van der Valk gemaakt. Diverse schouwburgen staan op de nominatie te worden afgeschoven naar de private sector. Herman Finkers heeft duidelijk gemaakt wat daarvan de gevolgen zullen zijn: het publiek als melkkoe voor het in het bedrijfsleven gebruikelijke winststreven. In de reguliere schouwburgen vormen publiekstrekkers als hij een bron voor interne subsidiëring - zijn volle zaal maakt het mogelijk de volgende avond een voorstelling voor een veel kleiner publiek in huis te hebben. Zoals uitgevers hun dichtbundels financieren met bestsellers, zo hebben schouwburgdirecteuren de plicht hun amusements-inkomsten in dienst te stellen van hun artistieke beleid. Tot de zaak wordt overgenomen door een onderneming als Van der Valk en alleen de winstmaximalisatie nog telt. Goed, dat niet alle succesnummers zich voor die kar laten spannen.