Uit Potsdam: De Einsteinturm van Erich Mendelsohn; Een tyrannosaurus uit 1920

De Einsteinturm van de Duitse architect Erich Mendelsohn, het stenen manifest van het expressionisme, staat in Potsdam op het terrein van het Zentralinstitut für Astrophysik, in de DDR dus verboden terrein voor bezoekers. Ruim twee jaar kapitalisme heeft aan de omgeving niets veranderd, maar men mag de toren nu wel bekijken. “Hij blijkt kleiner dan verwacht - eens te meer een bewijs van de bedriegelijkheid van architectuurfoto's.”

Einsteinturm op het terrein van het Zentralinstitut für Astrophysik, Telegrafenberg, Potsdam. Voor bezichtiging van het interieur moet men zich wenden tot de Kreisvorstand Urania-Potsdam, Brandenburger Strasse 38, Potsdam, 1560. Telefoon 09-37334261.

Veel architectuurontwerpen zijn nooit verder gekomen dan de tekentafel en toch beroemd geworden. Sant'Elia's schetsen van de toekomstige stad, Garniers "cité industrielle', Le Corbusiers Paleis der Sovjets - het zijn maar een paar van de talloze voorbeelden die er van te geven zijn. Zeldzamer zijn ontwerpen die wél gebouwd zijn en ook beroemd, maar onzichtbaar. Zulke gebouwen leiden eigenlijk net zo'n bestaan als de niet gerealiseerde beroemde ontwerpen: we kennen ze alleen uit boeken en van tentoonstellingen.

De Einsteinturm van de Duitse architect Erich Mendelsohn (1879-1953) was een gebouw uit de laatste kleine categorie. Het staat in vrijwel elk handboek van twintigste-eeuwse bouwkunst, maar te bezichtigen was het niet. Dat ondervond ik zes jaar geleden. Vanuit Oost-Berlijn maakte ik per S-Bahn en boemeltrein de tocht om het nog ommuurde West-Berlijn naar Potsdam. Geen van de Potsdammers aan wie ik de weg vroeg bleek de Einsteinturm te kennen en pas na lang zoeken vond ik de plek waar hij moest staan: de Telegrafenberg aan de Einsteinstrasse. Maar van de beroemde toren was daar niets te zien. Wel een omheind bosachtig terrein, een slagboom en een portiersloge. Het bleek een onneembare vesting. Een norse Pruisische portier gaf te kennen dat het niet mogelijk was de toren te bezichtigen. De Einsteinturm was onderdeel van het Zentralinstitut für Astrophysik, legde hij uit, en dat was niet toegangelijk voor bezoekers. Smeekbedes hielpen niet en zelfs de bewering dat ik speciaal voor de Einsteinturm uit Nederland was gekomen, liet hem koud. Hij deed niet eens een beroep op het eeuwige ambtelijke argument dat hij de regels niet had verzonnen, het was voor hem volkomen vanzelfsprekend dat de toren niet te bezichtigen was.

Observatorium

Mendelsohn ontwierp de Einsteinturm in 1920 op verzoek van de astronoom Erwin Finlay-Freundlich, een assistent van Albert Einstein. De toren was bedoeld als zonne-observatorium om door Einsteins algemene relativiteitstheorie voorspelde verschijnselen waar te nemen. Het was Mendelsohns eerste opdracht. Eindelijk kon hij een ontwerp realiseren en hij maakte er het stenen manifest van het expressionisme van. Al vanaf 1914 tekende Mendelsohn fantasie-ontwerpen voor fabrieken, theaters en warenhuizen. Ze doemen als vreemde organismen op uit de grond en lijken in niets op de toen gebruikelijke architectuur. De Einsteintoren doet denken aan een zich oprichtend prehistorisch dier, met een zichtbare ribbenkast en een ingehouden buik en een draaibare koepel als kop. Zelfs de afvoergootjes voor het water hebben een organische vorm gekregen en zien eruit als de kleine, onbeholpen voorpoten van een Tyrannosaurus Rex.

Bruno Zevi noemt de toren in zijn boek uit 1982 over Mendelsohn "een rigoureus berekende machine', maar die omschrijving doet er eigenlijk geen recht aan. Een goede machine is functioneel en efficiënt, maar voor Mendelsohn was nuttigheid slechts het begin van goede architectuur. Hij waarschuwde in 1919 al tegen de dorheid van het functionalisme, nog voor het in de jaren twintig in de bouwkunst zou doorbreken. “Zeker, het belangrijkste element is de functie maar zonder gevoeligheid blijft architectuur slechts bouwen”, schreef hij. “Functie plus dynamiek, dat is de uitdaging.” Functionaliteit deed alleen een beroep op het "intellect', vond hij, "dynamiek' appelleerde aan het "gevoel'.

Als zovelen van zijn tijdgenoten vond Mendelsohn dat de moderne tijd een radicaal nieuwe bouwkunst "eiste', maar anders dan architecten als Le Corbusier, geloofde hij niet dat vliegtuigen en auto's als voorbeeld konden dienen. De letterlijke beweging van machines was iets anders dan dynamiek in de bouwkunst: uiteindelijk kan een architect beweging alleen suggereren.

Mendelsohns eerste gerealiseerde ontwerp was meteen de radicaalste verwezenlijking van zijn opvattingen en maakte hem beroemd. Het ontbrak hem in de jaren twintig dan ook niet aan opdrachten voor villa's, fabrieken, theaters en vooral warenhuizen, zijn specialiteit. Zijn latere gebouwen zijn weliswaar gewoner dan de Einsteinturm en duidelijk beïnvloed door de Nieuwe Zakelijkheid, maar ze hebben altijd een zwierigheid die bij voorbeeld in het werk van Walter Gropius ontbreekt. Toch is Gropius uiteindelijk beroemder geworden. Hij was de oprichter van het Bauhaus en Mendelsohn maakte ondanks zijn Einsteinturm geen school. Hij bleef een eenling die ten slotte genoegen moest nemen met een bescheiden plaats in de geschiedenisboeken.

Kapitalisme

Onlangs ben ik weer in Potsdam geweest. En weer ging ik naar de Telegrafenberg. Ruim twee jaar kapitalisme heeft niets aan de omgeving veranderd. Het hek, de slagboom, de portiersloge - ze zijn nog precies hetzelfde. Het Zentralinstitut für Astrophysik bestaat nog en misschien is zelfs de portier wel dezelfde man als zes jaar geleden. Maar nog voor ik iets kan zeggen, groet hij hartelijk: “Ah, u komt vast voor de Einsteinturm.” Onmiddellijk haalt hij folders tevoorschijn en legt me op één ervan de route uit naar Mendelsohns toren tussen de andere, oudere observatoria van het complex. Hij verkoopt zelfs mooie ansichtkaarten van de schets die Mendelsohn in 1919 voor de toren maakte. Na betaling van twee mark en inschrijving op een lijst - ik ben de eerste bezoeker die dag - mag ik verder.

Wie mij drie jaar geleden zou hebben voorspeld dat het zo makkelijk zou zijn om de Einsteinturm te bezoeken, had ik voor gek verklaard. Maar nu is het dan zover en sta ik oog in oog met het beroemdste gebouw van het Duitse expressionisme. Het blijkt kleiner dan verwacht - eens te meer een bewijs van de bedrieglijkheid van architectuurfoto's - en heeft daardoor iets huiselijks. Het gebouw schijnt zich in slechte staat te bevinden doordat het vocht in de muren niet verdampt door een in 1979 opgebrachte latexlaag. Maar daar is weinig van te zien: het beest ziet er gezond uit, alleen bij de trap en aan de achterkant bladdert de verf af, alsof de Tyrannosaurus zijn huid begint te verwisselen. Bezichtiging van het interieur blijkt niet mogelijk, dat kan alleen na een telefonische afspraak. Maar wat geeft het, het gebouw is ten slotte beroemd om zijn buitenkant, niet om zijn interieur, dat bovendien volledig veranderd is. Binnen staan nieuwe instrumenten die niets te maken met het oorspronkelijke onderzoek naar de door Einstein voorspelde effecten die in Mendelsohns toren overigens nooit zijn waargenomen. Het belangrijkste is dat de Einsteinturm weer tot de normale categorie van beroemde én zichtbare gebouwen hoort.