Staking is test voor steun Duitse eenheid

BONN, 24 APRIL. Duitsland gaat dadelijk plat. En vermoedelijk niet een beetje, maar grootscheeps. Met ingang van uiterlijk maandag. Dat lijkt nu praktisch niet meer te voorkomen.

Voor het eerst sinds achttien jaar gaan de post, het spoor, de buschauffeur, de vuilnisman, de commies op de gemeentesecretarie en de referendaris op het ministerie in staking. Waar mogelijk zal ook in de gezondheidszorg het werk stoppen. De zogenoemde Urabstimmung onder de vakbondsleden eindigt vandaag danwel morgen, en niemand betwijfelt dat het wettelijk vereiste van 70 tot 75 procent zich voor staking zal uitspreken.

Het gaat allereerst om een nieuwe CAO voor het Westduitse overheidspersoneel (2,3 miljoen mensen). Maar het gaat om méér. Om de kosten van de Duitse eenheid bijvoorbeeld (150 tot 180 miljard mark per jaar). En om de politieke positie van kanselier Helmut Kohl en zijn regeringscoalitie. Maar ook, zij het in een wat ruimer verband, om de bestuurlijke kwaliteit van de mooie federale structuur van de Bondsrepubliek.

Het gaat bovendien enigszins, in nog ruimer verband, over de vraag of de Duitse economie haar Europese trekpaardfunctie de eerstkomende tijd kan blijven vervullen. En dus eveneens, ruim vier maanden na de EG-top van Maastricht, over het vraagstuk of het verenigde Duitsland als propagandist van een economisch deugdelijke Europese monetaire unie, en een stabiele munt, zelf voor een paar jaar naar de beklaagdenbank verdwijnt.

Anders gezegd: het gaat ook over de vraag of de economie later dit jaar weer zal aantrekken, de inflatie zal dalen en de Bundesbank de hoge rente inderdaad volgens haar plan kan verlagen tot beneden de huidige 8 procent. Tot genoegen van de VS en de Westeuropese buren, die inmiddels hardop zeggen dat zij via die hoge rente, via de rem van de centrale bank in Frankfurt dus, een deel van de kosten van de Duitse eenwording betalen. Want die buren, die toch al moeilijk kunnen wennen aan 80 miljoen verenigde Duitsers, kijken steeds bezorgder naar het monetaire modelkind van gisteren, dat - Duitse eenheid of niet - met zijn volle politieke wasdom plotseling ook een ongehoord snel stijgende staatsschuld en inflatie vertoont. Dat zal waarschijnlijk wel weer goed komen, overmorgen, maar dat helpt vandaag en morgen nog niet in een aarzelende wereldconjunctuur.

En het gaat om nog veel meer. Bijvoorbeeld om de vraag of CDU-voorzitter Helmut Kohl, de eenheidskanselier die de Bondsdagverkiezingen van december 1990 zo eclatant won, niet alsnog een grote prijs moet gaan betalen voor zijn stellige verzekering van toen dat géén bijzondere fiscale of andere offers nodig waren om de Duitse eenheid te financieren. En over de vraag hoe stevig anno 1992 het psychologische en (dus) financieel-economische draagvlak is voor de Duitse eenheid.

Pag.11: Het Grote Conflict is maanden voorbereid; Minister Seiters: het percentage loonsverhoging moet met een vier beginnen

Bedoeld is het draagvlak onder Westduitsers jonger dan 45 jaar, die aan vaste jaarlijkse “automatische” welvaartsvermeerderingen in Wirtschafswunderland gewend zijn geraakt, die de Duitse eenwording vaak vooral beleven als een groot genoegen voor hun ouders en grootouders en - met hun vakbonden - terugzien op de jaren tachtig met het idee dat van de toenmalige hoogcuncturele “winstexplosies” nogal veel bij hun florerende werkgevers is blijven hangen. Die Westduitsers zeggen nu: circa 5 procent inflatie en dan minder dan vijf procent loonstijging? Ook wegens de Duitse eenheid die gisteren nog niets zou kosten? Onze neus!

De grote bonden van overheidspersoneel, de DAG en de ÖTV van voorzitter mevrouw Monika Wulf-Mathies, een strijdbare, licht corpulente veertigster, zijn de CAO-onderhandelingen eind vorig jaar ingegaan met een eis van 9,5 procent en een eenmalige extra vakantie-uitkering die de totaal-eis op elf procent bracht. Vorig jaar had de toenmalige minister van binnenlandse zaken, Wolfgang Schäuble (nu CDU-fractieleider in de Bondsdag), als “kroonprins” van Helmut Kohl de misschien wel grootste fout in zijn politieke carrière gemaakt door ÖTV en DAG een CAO-verhoging van bijna zeven procent toe te staan.

Sinds dit voorjaar is het Grote Conflict van nu in voorbereiding. Het is breed in zijn betekenis, niet alleen omdat elk procent 2,3 miljard mark kost maar ook omdat een akkoord voor het Westduitse overheidspersoneel doorwerkt in het nog steeds overbezette overheidsapparaat in Oost-Duitsland. En, meer nog, omdat er grote kans is dat het niveau waarop de nieuwe CAO voor overheidspersoneel geldt, een soort signalerende minimumwaarde zal hebben voor alle CAO's in andere, meer “produktieve” sectoren (zoals bijvoorbeeld de exportindustrie).

Daarbij moet dus worden bedacht dat de vakbeweging, en haar leden, die in het verleden vaak geprezen zijn om hun bereidheid om in Konzertierter Aktion met overheid en werkgevers te doen wat goed was voor de Duitse economie, zich nu tekortgedaan voelen in het vorige decennium. Kortom: de huidige strijd tussen de overheidswerkgevers (die in Bonn, de federale deelstaten en de gemeenten) en ÖTV en DAG is er een met een olievlekfunctie.

Verbazend was het op zichzelf daarom niet dat kanselier Kohl al begin dit jaar duidelijk maakte, op zijn eerste persconferentie, dat zijn vertrouweling Rudolf Seiters, de nieuwe man op Binnenlandse Zaken, en zijn mede-onderhandelaars het overheidspersoneel dit keer niet méér mochten toestaan dan een percentage dat met 4 begint. De kanselier, nooit vies van een polemisch terzijde, wees er bij die gelegenheid ook op dat de Duitse werknemer inmiddels in de Westelijke wereld gemiddeld het hoogste uurloon verdient én de meeste ziekte- en vakantiedagen heeft (het kortst werkt dus). Daarmee was de komende CAO-strijd in één klap politiek, financieel en psychologisch op scherp komen te staan. De prestigelading is zwaar, Kohls voorganger Helmut Schmidt (SPD), viel hem twee weken geleden in het veelgelezen weekblad Stern alvast aan onder het motto: Schuldenkanzler Kohl bringt es nicht. Wat velen in de regeringscoalitie zeer razend maakte gezien het feit dat Schmidt in 1982 als kanselier afscheid nam, zonder de nu geldende verplichtingen jegens Oost-Duitsland en Oost-Europa, met een verhoudingsgewijs grotere staatschuld en inflatie.

Seiters, die nu namens Kohl en de Duitse economie een vuurproef beleeft, en de onderhandelaarster voor het overheidspersoneel in de deelstaten, mevrouw Heide Simonis (SPD-minister van financiën in Sleeswijk-Holstein), hebben de afgelopen vier maanden inderdaad consequent geweigerd verder te gaan dan 4,8 procent. Dus was begin deze maand in de ingewikkelde Duitse wettelijke regeling die voor CAO-onderhandelingen geldt uiteindelijk het woord aan een arbitragecommissie.

Die commissie, geleid door een ex-CDU-minister uit de deelstaat Baden-Württemberg, bepaalde als Schlichtungsurteil een percentage van 5,4 procent. De vakbonden, hoewel begonnen bij circa 11 procent, gingen akkoord, misschien ook wel omdat zij inmiddels uit enqûetes weten dat de Duitse bevolking weinig waardering zou hebben voor stakingen van overheidspersoneel. Maar: nee, zeiden Seiters, mevrouw Simonis en een Duisburgse SPD-burgemeester die voor de gemeenten onderhandelt, het percentage moet met een vier beginnen. Voor een goed begrip over de inzet van komende stakingen: tussen het arbitrage-oordeel en het bod van de werkgevers ligt voor de gemiddelde werknemer een netto verschil van circa 30 mark per maand.

Intussen is het pokeren geworden. Seiters c.s. hielden gisteren alvast een persconferentie waarin zij de vakbeweging onbeweeglijkheid verweten en zich zelf tot verder onderhandelen bereid verklaarden, eventueel voor een nadere accentverschuiving ten gunste van de lagere inkomens, mits het percentage van 4,8 maar de bovengrens zou blijven. Mevrouw Wulf-Mathies reageerde negatief (Seiters “vernevelt” de boel). De SPD-premiers van Hessen en Nedersaksen, Eichel en Schröder, zijn - leve de federale structuur - hun geestverwante onderhandelaarster mevrouw Simonis deze week al afgevallen met pleidooien voor meer souplesse jegens het overheidspersoneel.

Minister Theo Waigel (CSU, financiën) heeft afgelopen weekeinde alvast een “keiharde” budgettaire politiek voor de komende jaren aangekondigd, waarin elke minister die meer wil uitgeven eerst zelf extra moet bezuinigen. Onder meer als offer voor de opbouw van Oost-Duitsland moeten Westduitsers de twee komende jaren op de 0-lijn rekenen, zei hij (nu) ook. In de recente regionale verkiezingen in Baden-Württemberg en Sleeswijk-Holstein, waar CDU en SPD er alletwee van langs kregen, heeft het totaal aan wegblijvers en proteststemmers met Politikverdruss (want daaruit bestond de verrassend grote aanhang voor extreem rechtse partijen vermoedelijk vooral) voor een schok in Bonn gezorgd.

Kanselier Kohl houdt vakantie in Oostenrijk, waar hij abspeckt. Gisteravond verscheen hij niettemin op de Duitse televisie. Namelijk om zich heel vierkant achter minister Seiters op te stellen en mee te delen dat de Duitse ministers en staatssecretarissen de twee komende jaren vijf procent zullen laten korten op hun salarissen. Wat hem betreft doen de politieke partijen dat ook met hun ruime, begin april door het Duitse constitutionele hof ernstig gekritiseerde, inkomsten uit de staatskas.

Of zoiets nu nog helpt? In 1974 staakte het Duitse overheidspersoneel voor het laatst. Dat duurde toen drie dagen. Daarna werd tot een CAO-verhoging van elf procent besloten. Toen ging het “slechts” om een Duits probleem. Nu is, weer een variant op het woord van Thomas Mann, een Duits probleem óók Europees. Ja, het is misschien zelfs universeel als uitdrukking van een nieuw dilemma van “de Westerse politiek”, die zijn vijand buiten en een groot deel van zijn zekerheid binnen kwijt is. Zogezien staan Kohl c.s. de komende weken model.