SATYAJIT RAY 1921 - 1992; Indiaas engagement

Drie weken nadat hem op zijn ziekbed een speciale Oscar voor zijn hele oeuvre was uitgereikt, overleed gisteren op 70-jarige leeftijd in Calcutta Satyajit Ray, de internationaal meest bekende Indiase filmmaker.

Ver van de commerciële massaproduktie in Bombay maakte Ray in West-Bengalen zijn verfijnde films, die een enthousiaster onthaal kregen op Europese festivals dan in eigen land. Vooral in Engeland en de Verenigde Staten wordt Ray gerekend tot de grootste cineasten, terwijl zijn werk bij voorbeeld in Frankrijk veel kritischer beoordeeld werd. Toen Ray's debuut Pather Panchali in 1956 tijdens het festival van Cannes vertoond werd, liep François Truffaut geërgerd uit de voorstelling en begon een polemiek in de Cahiers du Cinéma tegen de precieuze stijl van de algemeen als groot talent beschouwde Ray. In Nederland bleef het werk van Ray relatief onbekend en onbemind. De uitzondering was zijn trilogie over de jongen Apu, naar de romans van Bibhuti Busan Bannerjee, die behalve Pather Panchali bestaat uit Aparajito (1957) en The World of Apu (1960). Zelfs een retrospectief tijdens het Filmfestival Rotterdam 1978 kon daar weinig verandering in brengen.

De uit een aristocratische familie afkomstige Ray verwerkte veel van zijn eruditie en gedetailleerde kennis over de Indiase muziek en schilderkunst in zijn films, die gaandeweg de voorbeelden van het Italiaanse neo-realisme inruilden voor inspiratiebronnen uit de eigen cultuur. Ray, die economie studeerde, was ook een leerling van de bekende schrijver en schilder Rabindranath Tagore, van wie hij verschillende romans verfilmde. Hij leverde bijdragen aan de ontwikkeling van de Bengaalse kalligrafie en schreef voor zijn latere films zelf de muziek. De ontwikkeling van sociaal geëngageerd cineast tot vastlegger van het verdwijnende culturele erfgoed van zijn kaste, plaatst Ray min of meer naast een filmer als Luchino Visconti.

Aangezien het buitenlandse publiek die traditie slecht kent, waren Ray's films niet eenvoudig te begrijpen, wederom met uitzondering van de Apu-trilogie. De Engelsen, met hun veel groter affiniteit voor de Indiase historie, moesten echter ook toegeven dat Ray in feite sinds de drie eerste films weinig progressie vertoond had. Tot zijn meest geacheveerde films sindsdien behoren The Music Room (1958), de Tagore-verfilming Charulata (1964), Days and Nights in the Forest (1969), een nieuwe verfilming van B.B. Bannerjee, Distant Thunder (1972) en The Chess Players (1977), een van de weinige films die Ray niet in de Bengaalse taal opnam.

Het kostte de laatste jaren moeite voor het werk van Ray nog een plaats te vinden in het festivalcircuit, hoewel die films toch min of meer een constante kwaliteit te bieden hadden. De reden was waarschijnlijk dat een breder publiek dan de kenners en liefhebbers van de Bengaalse cultuur, er min of meer op uitgekeken was. Intussen bleef de reputatie van Ray ongeschonden, een onaantastbare kampioen van de Derde Wereldcinema. Zelfs tout Hollywood, verzameld voor de Oscar-uitreiking, wilde graag klappen voor de beelden van een uitgemergelde man in een ver ziekenhuis, wiens naam ze waarschijnlijk die avond voor het eerst hoorden.