Liefdesverhalen van Kristien Hemmerechts; We zijn verliefd, maar op wie?

Kristien Hemmerechts: Kerst en andere liefdesverhalen. Uitg. Atlas, 191 blz. Prijs ƒ 26,90.

De titel is veelbelovend, maar de inhoud van de nieuwe verhalenbundel van Kristien Hemmerechts is ontluisterend voor wie een beetje romantisch is ingesteld. Kerst en andere liefdesverhalen staat in het teken van het onbegrip, de echtscheiding en de achterdocht. Keer op keer wordt de illusie verstoord dat mensen ware, onbaatzuchtige gevoelens voor elkaar zouden kunnen koesteren. Met ”de liefde' is het hier dus droef gesteld. Zij is voorbij of onvervuld, zij blijft onbeantwoord of berust op een scheve verhouding. Dat laatste is het geval in het titelverhaal, ”Kerst', waarin de liefdesbetrekkingen worden beschreven tussen een tamelijk normale man en een zwakzinnige vrouw. Hij heeft en houdt haar vooral voor de seks, want voor het overige behandelt hij haar als een kind, dat niet zelf iemand is, maar deel uitmaakt van een soort. Hij laat zich leiden door medische adviezen. “Niet te streng zijn, zei de arts, af en toe een eindje met hen meegaan.”

Anders dan men zou denken, is dit geen moralistisch verhaal waarin het gedrag van de man veroordeeld wordt of waarin de vrouw als een zielepoot wordt voorgesteld. Op zijn manier zorgt de man goed voor haar. Hij geeft haar cadeaus en trotseert regen, achterbuurten en boze tramchauffeurs om een kerstboom voor haar te bemachtigen. Hemmerechts laat in het midden wat de lezer met dit ongebruikelijke stel aanmoet en dat doet zij eigenlijk in de hele bundel. Zij velt geen oordelen over haar verhaalfiguren, die net als de man uit het kerstverhaal een wat hulpeloze en wereldvreemde indruk maken. De ene figuur is naïever dan de andere, maar bijna niemand blijft gespaard voor de kille werkelijkheid.

De man die elke dag glunderend en verliefd tegenover zijn vrouw zat, komt, als zij hem in de steek heeft gelaten, tot het bittere inzicht dat de liefde blijkbaar niet wederzijds was. Een meisje in een ander verhaal wordt ruw opgeschrikt uit haar aangename onwetendheid over het onzedelijke verleden van haar vader door een vroegwijze vriendin.

Aantrekkelijk aan de tien gebundelde verhalen is dat er zo weinig in wordt uitgelegd. Je zou ze realistisch kunnen noemen, omdat ze niet meer willen dan ze zijn: happen uit mensenlevens, meestal zonder voor- of nageschiedenis. Kristien Hemmerechts beperkt zich tot de feiten, hoe bizar die feiten soms ook zijn. Ideeën, symboliek of psychologie komen er niet aan te pas.

Minder aantrekkelijk is Hemmerechts' stijl. Al vanaf haar debuut, Een zuil van zout (1987) legt zij zich toe op hard, snel en zakelijk proza. Zo afgeknepen als in de verhalenbundel Weerberichten (1988) zijn de zinnen deze keer niet, maar ze munten zeker niet uit door zangerigheid. Dit denkt een vrouw over haar man die in Lissabon het ruime sop heeft gekozen: “Alleen in een kajuit. Met veel boeken. En misschien een blocnote. Om te noteren wat hij over haar dacht. Wat hem stoorde. Waarom hun hele verhouding in één klap het tegenovergestelde werd van wat ze was geweest. Waarom ze niet meer lachten en vrijden, maar het grimmig en bitsig werd. Al zijn verwijten. Zijn achterdocht.”

Gevoelens worden verzwegen, informatie over beroep of bezigheden van de verhaalfiguren ontbreekt en meestal blijft onduidelijk wat hun motieven zijn om iets te doen of na te laten. Sommige verhalen blijven daardoor rijkelijk vaag en onbestemd, maar andere varen er wel bij. Prettig mysterieus en bij vlagen zelfs lyrisch is bijvoorbeeld het verhaal ”Appels en zwam'. Daarin gaat het over een vrouw met een troebele achtergrond, die door een vriend gekoppeld is aan een rijke zakenman. Zij zijn verliefd, maar weten niet op wie en ook niet waarom. “En nu woonde ze hier en droeg ze alleen nog jurken en kousen en lingerie, kleren van vrouwen, zodat ze totaal verschillend was van de man met de borsalino, het scheerapparaat, de after-shave en het driedelige maatpak, zodat zij een geheim was voor hem en hij een geheim voor haar en ze het ingewikkelde spel konden opvoeren dat liefde heette, om het geheim dat de ander was te doorgronden, maar het geheim werd alleen groter.”

Uit de tien liefdesverhalen van Hemmerechts valt maar één weinig opgewekte conclusie te trekken: de mens staat alleen in het leven, ook al heeft hij ouders, broers en zussen, minnaars of vrienden. Het leven is een wirwar van onvoorspelbare gebeurtenissen, waarop niemand staat kan maken. Zonder dat zij nu een passieve levenshouding propageert, maakt Hemmerechts wel duidelijk dat er weinig verweer mogelijk is tegen de aanslagen die elk individu constant bedreigen. Het meest aangrijpend in dit verband is het treurige ”Sprookje' waarmee de bundel besluit. “Er waren eens een man en een vrouw die een kind kregen dat leefde. Toen kregen ze nog een kind en dat stierf, en toen nog een kind en ook dat kind stierf.” Wie kan voor zoveel ongeluk aansprakelijk worden gesteld?, dat is de hamvraag in dit verhaal. De vrouw wijst verschillende schuldigen aan. Zichzelf in de eerste plaats. “Ik moet wel een erg slecht mens zijn dat ik twee keer word getroffen”, verzucht zij. Dat niemand haar erop gewezen heeft dat kinderen zomaar dood kunnen gaan, komt haar erg onredelijk voor. Maar ook verwijst zij, in een overigens goddeloze bundel, naar een hogere macht die haar zou hebben gestraft voor haar overmoed. “Ik dacht: er moet daar een grote sadist aan het werk zijn geweest. Iemand die zei: laten we ons eens goed amuseren, die daar met het zwarte haar, we gaan die eens heel gelukkig maken, we gaan die heel hoog tillen en er dan voor zorgen dat ze met een smak neerkomt.”

Er is in Kerst en andere liefdesverhalen voor de sterveling geen rol van veel betekenis weggelegd. Hij of zij kan alleen maar hopen van al te veel narigheid verschoond te blijven.