Japans schandaal in Indonesië

JAKARTA, 24 APRIL. De financiële schandalen waarin Japanse politici zijn verstrikt, blijken zich uit te strekken tot Indonesië.

Minister Michio Watanabe, Japans tweede man, wordt ervan beschuldigd dubieuze banden te onderhouden met een consortium dat met Japanse ontwikkelingshulp in Jakarta het grootste handels- en congrescentrum van Azië bouwt. De minister zou de laatste vier jaar particuliere en overheidsgelden hebben gesluisd naar dit project ter waarde van 220 miljoen dollar en hij zou commissiegeld hebben ontvangen van ondernemingen die er aan mee mochten doen.

De San Jose Mercury News, een van de grootste kranten van de Amerikaanse westkust, bracht hierover begin deze week een voorpagina-artikel van zijn correspondent in Tokio. Daarin beweert een anonieme Japanse zakenman die bij het project in Jakarta is betrokken dat vice-premier en minister van buitenlandse zaken Watanabe zogenaamde "kickbacks' (niet contractueel vastgelegde procenten) zou hebben geïncasseerd van Japanse bedrijven die meebouwen aan een groot complex dat verrijst in Jakarta-West, op het terrein van het voormalige vliegveld Kemayoran. Dit complex wordt geheel gefinancierd met Japanse yens, deels officiële ontwikkelingshulp, deels particuliere investeringen.

De krant citeerde ook een "Indonesië-expert' van de Sophia Universiteit in Tokio, Yoshinori Murai, die zei dat Japanse bedrijven regelmatig grote bedragen schenken aan politici die hen helpen toegang te krijgen tot projecten die met Japanse ontwikkelingsgelden worden gefinancierd. Sommige van die bijdragen zijn legaal en komen binnen via steungroepen voor individuele politici.

Het idee voor het complex in Kemayoran, dat moet uitgroeien tot het grootste handels-, congres- en amusementscentrum van Azie, werd in het voorjaar van 1988 gelanceerd door de Japanse zakenman Shigeki Taniguchi, een inmiddels overleden bestuurslid van JAPINDA (Vereniging Japan-Indonesië), een praatclub van zakenlieden uit beide landen die nauwe onderlinge betrekkingen onderhouden. Voorzitter van JAPINDA en een goede bekende van Taniguchi is minister Watanabe. Taniguchi richtte in juli 1988 in Tokio de Konan Trading Corporation op, die zich ging toeleggen op overzeese ontwikkelingsprojecten.

Naar verluidt zou Taniguchi op aandringen van Watanabe Mitsuo Marume (44) hebben aangesteld als directeur. Volgens de onderminister van buitenlandse zaken Koji Kakizawa is Marume prive-secretaris van Watanabe. Japanse politici hebben de gewoonte om hun 'grijze' zakelijke activiteiten over te laten aan zogenaamde "secretarissen', die hen aldus afschermen van publieke belangstelling.

In de zomer van 1988 schreven bedrijven uit de VS, Frankrijk, Australië en Japan in voor de eerste fase van het project ter waarde van 220 miljoen dollar. Marume van Konan Trading Corp. zou een sleutelrol hebben gespeeld bij het in de wacht slepen van de opdracht. President Soeharto koos in augustus 1988 voor het Japanse voorstel. Daarop richtte Konan in april 1989 de Jakarta Development Corporation op, die in Tokio Japanse gegadigden aantrok voor deelname aan het project. Volgens de anonieme bron van de San Jose Mercury News zou Watanabe, leider van een machtige factie binnen de regerende Liberaal Democratische Partij, tegen betaling van commissiegelden Japanse deelnemers hebben aangetroken voor het consortium.

Watanabe, in zijn hoedanigheid als voorzitter van JAPINDA, en de toenmalige Indonesische ambassadeur in Japan, Wiyogo Atmodarminto (tegenwoordig gouverneur van Jakarta en nu op bezoek in Nederland), tekenden het Memorandum of Understanding voor het project. Daarop ging de Japanse Jakarta Development Corporation een joint venture aan met een Indonesisch consortium, waarin ook de gemeente Jakarta deelneemt: de Jakarta International Trade Fair Corporation (JITC), die op het voormalige vliegveld Kemayoran een stuk grond van 45 hectare aankocht.

Deze week legde Watanabe verantwoording af tegenover de commissie voor buitenlandse zaken van het Japanse Hogerhuis. Hij ontkende op enigerlei wijze financieel te zijn betrokken bij het project en wees de suggesie als zou Marume, de zakelijke spil van het project, zijn persoonlijke secretaris zijn boos van de hand: “Ik heb hoegenaamd niets met de man”. Hij gaf later wel toe dat Marume voor hem had getolkt op zijn vele reizen door Zuid-Oost Azië. Een woordvoerder van buitenlandse zaken noemde Marume een adviseur van Watanabe inzake Zuid-Oostaziatische aangelegenheden.