Ingenieurs en industrie bepalen geschiedenis Delft

Tentoonstelling: De Stad Delft, cultuur en maatschappij van 1813-1914. Stedelijk museum Het Prinsenhof, t/m 17 mei, di t/m za 10-17u, zo 13-17u.

Net als zoveel Nederlandse stadjes moet Delft in het begin van de negentiende eeuw een desolate aanblik geboden hebben. Er werd meer gesloopt dan gebouwd, en straten, wallekanten en grachten waren ernstig verwaarloosd. De regerende elite gedroeg zich als de regenten uit de roemrijkere dagen van de Republiek, maar had weinig hart voor de monumenten uit die tijd. Nijverheid en handel kwijnden, waardoor een groot deel van de bevolking werkloos werd en verpauperde. Alleen de marktdagen brachten enig vertier; voor het overige ”ademde de stad rust en vrede' - maar die adem stonk naar armoede en verval. Niet voor niets situeerde Nicolaas Beets zijn familie Stastok in deze stad ”met zijn kerken vol praalgraven'.

Toch waarde hier niet alleen de geest van Jan Salie rond, dat beruchte fantoom van ongedurige Gids-redacteuren. Ook in Delft waren wel degelijk bestuurders en ondernemers die in de vooruitgang geloofden en initiatieven in die richting ontplooiden. Zo stelde de textielfabrikant Maas al in 1822, als derde in het land, een stoommachine in bedrijf in zijn tucht- annex werkhuis, waar uniformstof voor de krijgsmacht werd vervaardigd. En zo wist Hendrik Piccardt door diversificatie en de toepassing van nieuwe produktiemethoden zijn ”Porceleyne Fles' als enige van de oude plateelbakkerijen, ooit Delfts roem, door de malaise heen te loodsen. Maar veel andere pogingen bleven vruchteloos. In 1835 noteerde een bezoeker: “Het is te Delft zoo stil als vreesde men door ontijdig gedruisch de rust der groote mannen die er begraven liggen te verstoren”.

Zestig jaar later blijkt die stilte danig verstoord: dan gonst de stad van industriële en andere bedrijvigheid. De bevolking is sinds 1813 meer dan verdrievoudigd en telt nu ongeveer 40.000 zielen. De vele braakliggende terreinen zijn volgebouwd, zij het vaak met onfrisse hofjes- en steegjeswoningen. Ondanks de beknelde ligging tussen hardnekkige buurgemeenten heeft de stad zich ver buiten de oude wallen uitgebreid.

Ook in andere opzichten was er veel veranderd. De oude regenten hadden hun plaats moeten inruimen voor een ander slag bestuurders, veelal gelieerd aan de nieuwe nijverheid. De stedelijke infrastructuur was aanmerkelijk verbeterd, en er was zelfs een schuchter begin gemaakt met het herstel en de conservering van de overgebleven oudheden. Nog in 1860 had het stadsbestuur een grote uitverkoop van kunstschatten gehouden, maar rond de eeuwwisseling had het restant een bescheiden onderkomen gevonden in het Gemeente Museum aan het Prinsenhof. Ook in de levende kunst was in de stad van Vermeer en De Hoogh een duidelijke opleving te bespeuren.

De belangrijkste oorzaak van deze omslag is ongetwijfeld te vinden in de algemene economische opleving van Nederland in de jaren na 1870, ondermeer gekenmerkt door de doorbraak van de industrie en van aanverwante technische voorzieningen. Delft liep daarbij zeker niet uit de pas. Al in 1847 bereikte de spoorweg de stad, ten koste van de monumentale Waterslootsepoort. Zeven jaar later opende de gasfabriek, ten koste van een fraaie ”stadswandelpromenadeplan' van J.D. Zocher, en in 1887 werd een duinwaterleiding voltooid, die een eind maakte aan de moorddadige cholera-epidemieën.

Heel bijzonder was dat allemaal niet. Met verandering van de jaartallen gaat dit verhaal op voor tientallen andere Nederlandse steden. Maar heeft Delft ook iets speciaals, iets dat het onderscheidt van al die andere middelgrote provincieplaatsen? Op de tentoonstelling in het Stedelijk Museum Het Prinsenhof De Stad Delft, Cultuur en maatschappij van 1813 tot 1914 en in de gelijktijdig verschenen en gelijknamige bundel kan de belangstellende - met enig doorzettingsvermogen - iets van een antwoord op die vraag ontwaren. Delft had namelijk behalve de goede verbindingen en de gunstige ligging tussen het dynamische Rotterdam en de even rusteloze residentie, de Polytechnische School. De aan de P.S. opgeleide ingenieurs hebben zeker een stimulerend effect gehad op de industrialisatie van Delft.

De meest uitzonderlijke van deze figuren, aan wie op de tentoonstelling terecht veel aandacht wordt besteed, was ongetwijfeld J.C. van Marken. Deze bevlogen domineeszoon studeerde in 1867 als Nederlands eerste scheikundig ingenieur af en richtte twee jaar later (nadat hij middels bedrijfsspionnage in Wenen een nieuw procédé om gist te maken meester was geworden) de Nederlandsche Gist & Spiritus Fabriek op. Weldra groeide dit bedrijf uit tot de grootste gistfabriek van de wereld. In tomeloze ijver en in nauwe verbondenheid met zijn gelijkgestemde vrouw Agneta Matthes tilde Van Marken nog een paar succesvolle bedrijven van de grond.

In 1882 richtte het echtpaar naar Engels voorbeeld het Agnetapark in. Deze materialisering van hun hoogst vooruitstrevende ideeën is gelukkig behouden gebleven: een complex van arbeiderswoningen als kleine villaatjes in een landschappelijk parkje, met als natuurlijk middelpunt het helaas gesloopte directeurshuis ”Rust Roest'. Zoals wel vaker gebeurt, bleken de verheven denkbeelden van deze praktische utopisten niet geheel bestand tegen de harde werkelijkheid. De modelwoningen stonden vaak leeg, omdat niet alle arbeiders van de Gist & Spiritus het een prettig idee vonden om onder voortdurend toezicht van het bedillerig paar (”De Fabriek voor allen, allen voor de Fabriek') te verkeren. Met het echtpaar zelf is het ook niet helemaal goed afgelopen. Van Marken ging vroeg te gronde aan zenuwpijnen en voortijdige slijtage, nadat de kinderloze Agneta eerst nog had moeten ontdekken dat haar man er elders een bloeiend gezinsleven op na hield.

Over reclame had het echtpaar ook opvattingen: die moest behalve doeltreffend ook kunstzinnig verantwoord, zelfs opvoedend zijn. Daaraan danken we de beroemde slaolie-affiches van ondermeer J. Toorop en A.F. Gips. Die laatste was hoogleraar handtekenen aan de Polytechnische School. Ziedaar een relatie die in Delft vaker te zien is geweest: industriële techniek en kunst(-nijverheid), beide gevoed door de School. Ook bij andere fabrieken: de al genoemde Porceleyne Fles en de Zinkfabriek F.W. Braat, heeft deze combinatie interessante vruchten afgeworpen.

Het Delftse beeldende kunstleven was grotendeels een afgeleide van het onderricht aan toekomstige ingenieurs, zoals blijkt uit de collectie van Gips' voorganger aan de P.S., Paul Tetar van Elven. Vreemd overigens, dat een stad waar zóveel ingenieurs zijn gevormd in de bouwkunde, op dat terrein zo weinig te bieden heeft.

De tentoonstelling en de bundel brengen deze en vele andere aspecten van een bewogen eeuw stedelijk leven op een aantrekkelijke manier voor het voetlicht. Wel moet men veel nogal onspecifieke en ongelijksoortige informatie op de koop toe nemen. Zo vertoont het Prinsenhof de complete inboedel van een grutterswinkel, een schoolklas en een apotheek, die evengoed uit Gouda of uit Schiedam hadden kunnen stammen, maar die het als publiekstrekker hopelijk niet slecht doen, want veel van het gebodene is het bekijken waard.

De bundel verraadt evenmin het meesterschap van de beperktheid. Enkele van de 37 artikelen - waaronder dat van R. van der Laarse over het Delftse patriciaat - zijn een waardevolle bijdrage aan de Nederlandse geschiedenis, maar soms gaan de contribuanten zich wel erg te buiten aan algemeenheden en trivialiteiten. een van de auteurs betreurt dat hij ”wegens plaatsgebrek niet al het straatmeubilair had kunnen behandelen' en illustreert daarmee treffend de gevaren van dit soort lokale geschiedschrijving.