In de woestijn (8)

Meneer Tagelmust luisterde een tijdje aandachtig naar het geblaf en gejank van de jakhalzen en begon toen in het Frans een Toeareg-vers op te zeggen. “De wilde dieren der woestijn spelen voor mij op hun violen in de nacht / Ik luister met mijn broeders rond het vuur naar de verre, droeve klankenpracht / De wilde dieren der woestijn laten de Toearegs in vrede leven / Maar wee, de vreemde karavanen, zij doen hen allen beven / Oh, hun muziek is van een wonderschone pracht / En verwarmt onze harten in de koude sterrennacht."

Toen het vers uit was, zei Gied Meeuwenoog: “Wat is er nou zo mooi aan het gejank van jakhalzen? Ik vind het niet om aan te horen.”

“Volle Maan, nu is het uw beurt om een vers voor te dragen”, zei meneer Tagelmust tegen Gied Meeuwenoog.

“In ons land doen ze gelukkig niet aan die flauwekul. Bij ons hebben ze in hun vrije tijd wel iets beters te doen dan verzen opzeggen”, antwoordde Gied Meeuwenoog.

“Wat interessant, vertelt u daar eens wat meer over”, zei meneer Tagelmust.

“Nou, ik ga bijvoorbeeld joggen in mijn vrije tijd”, zei Gied Meeuwenoog. “Dat gebeurt bij ons in klederdracht. De mannen en de vrouwen trekken felgekleurde jacks en wijde broeken aan en daarin gaan ze over de weg hollen. En verder kijk ik naar spannende series op de televisie. Iemand is vermoord of zo, en dan gaan ze uitzoeken wie het gedaan heeft. En als ze dat weten, gaan ze de misdadiger achterna met een auto die heel hard rijdt en tegen andere auto's opbotst.”

“Ach, wat klinkt dat allemaal akelig. Is er dan niemand in uw land te vinden die spontaan een vers kan voordragen?” zei meneer Tagelmust.

“Ik toevallig wel”, zei Gied Meeuwenoog. “Zimpe, zampe, zompen / Hannes loopt op klompen.”

Meneer Tagelmust lachte. “Ik begrijp het niet maar het klinkt grappig”, zei hij. Nu begon Ibrahim, de zoon van meneer Tagelmust, een vers voor te dragen over een Toeareg die het meisje uit zijn dromen heeft ontmoet. “Oh, Roos van de Woestijn. Ik zag je zitten voor je leren tent / Je schoonheid heb ik dadelijk herkend / Mooier ben je dan zeven witte kamelen / Heel mijn rijke buit wil ik met jou delen / Ik geef je sieraden en dadels en tachtig geiten / Als ik mijn dagen maar met jou mag slijten / Oh, Roos van de Woestijne / Word alsjeblieft de mijne.”

Het gehuil van de jakhalzen verstomde. De Toearegs begonnen een bed in het zand te maken. Het was een ondiepe kuil waarin een kamelendeken werd gelegd. De Toearegs gingen in de kuil liggen, die ze tegen de woestijnwind beschutte en trokken de andere kamelendekens over zich heen. Jan en ik zochten onze tent op. Gied Meeuwenoog was zo bang voor de jakhalzen dat hij niet in zijn tent durfde te slapen. Hij bleef alleen achter bij het dromedariskeutelvuurtje.

(wordt vervolgd)

Welke meesterwerken zich op Malta zouden kunnen bevinden, is een vraag die niemand beantwoordt. Het speculeren over de mogelijkheid dat ze er zijn, is misschien ook wel zo'n aardige bezigheid. Ook over de rijkdom van de ridders doen sinds lang verhalen de ronde. Maar als je een blik in de correspondentie van een grootmeester slaat, blijkt er bij de diverse vorstenhuizen geregeld om geld te zijn gebedeld. Het geldverslindende onderhoud van de fortificaties, de wallen en het bouwen van de vestingstad Valetta was uiteraard van belang voor de gehele christelijke wereld.