Iemand in een rode cel is niet agressiever dan iemand in een groene; Peter Struycken over licht, kleur en toeval

In de gangen van het nieuwe ministerie van Verkeer en Waterstaat, verandert het licht voortdurend van kleur. Dat gebeurt dankzij een kunstwerk van Peter Struycken, dat woensdag officieel in gebruik genomen wordt. Niet iedere overheidsdienaar is even blij met de kleurgolven in de gang. Dat gaat wel over, denkt Struycken. “Buiten verandert het licht ook steeds en daar protesteert niemand tegen.” Het is de hoogste tijd dat er over kleur nieuwe dingen worden gezegd.

“Voor mij was de grootste verrassing dat alle licht in die gang kleur werd,” zegt Peter Struycken. “Als de gangverlichting rood is, wordt het daglicht dat uit een open deur komt groen. Als de verlichting naar groen gaat, wordt dat daglicht rood. Dat geeft te denken over je waarneming - wat zie je nu eigenlijk?”

Wat we zien vanuit de kantine van de nieuwbouw van het ministerie van Verkeer en Waterstaat, dat is een gang die langzaam rose wordt. Daarnet was hij nog groenig. Als we omkijken zien we dat de gang die aan de andere kant op de kantine uitkomt nu zweemt naar zacht violet.

De kunstenaar is gekleed als altijd. Grijs pak, grijs overhemd. Gemillimeterd haar en tevreden ogen achter de ronde brilleglazen. Het kunstwerk is af. Twee voortdurend en geleidelijk van kleur veranderende gangen. Ze zijn enigszins gebogen en lopen beide naar de kantine. De ene is iets langer dan de andere, maar samen zijn ze zeventig meter.

In beide gangen zijn geen ramen, alleen de deuren van de werkkamers van de ambtenaren komen op de gang uit. In de gangen moesten dus TL-buizen komen. Op voorstel van de architecten van de nieuwbouw, Kees van der Hoeven en Karel Rosdorff, kreeg Peter Struycken opdracht de verlichting te bedenken. Met het geld van de eenprocentsregeling werd het project betaald.

Nu zitten er in plaats van gewone TL-buizen steeds drie gekleurde TL-buizen in het plafond: een rode, een groene en een blauwe, vlak naast elkaar en in hetzelfde armatuur. Zesenveertig armaturen met in totaal 138 buizen.

Als alle drie de kleuren even hard branden, is het netto-resultaat gewoon kantoorlicht. Bij elkaar opgeteld zijn de drie kleuren precies wit. Maar als de blauwe zachter brandt verschuift het licht naar geel, als de rode zachter brandt naar blauw en bij een zachter groen wordt het licht rose. En dat is wat er in de gang gebeurt.

Elke TL-buis kan in 256 stapjes worden gedimd en een computer in de portiersloge verzendt dertig keer per seconde een verzoek naar de buizen. Elke buis krijgt een ander verzoek: of hij iets feller wil gaan branden, of iets zachter, of voorlopig nog even hetzelfde kan blijven.

De verzoeken staan met elkaar in verband. Ze worden gegenereerd door een computerprogramma, een partituur voor 138 TL buizen. De onzichtbare dirigent laat langzame lichtgolven door de gang bewegen.

Het rose van daarnet is al een paar meter opgeschoven en het begin van de gang zweemt nu naar rood. We kijken ernaar, in het besef dat we getuige zijn van een unieke gebeurtenis. Tenminste 13.000 jaar moeten we wachten voordat we weer dezelfde overgangen kunnen zien. Elke ochtend neemt de computer in de portiersloge de datum en het precieze tijdstip in zijn gedachten en berekent het programma voor die dag. De structuur ligt vast: langzame gekleurde lichtgolven, maar de volgorde en de overgangen zijn elke dag anders.

Ongeveer een keer in de drie weken gaan de lichtgolven plotseling sneller. Dat duurt een minuut of tien, dan vervallen ze weer in hun langzame tempo. Dat is om het ritme te breken, legt de kunstenaar uit, omdat er anders toch gewenning optreedt. “Ik wilde een kunstwerk maken dat voortdurend verandert en daardoor altijd aandacht vraagt”, zegt hij. “Het is mij opgevallen dat veel beeldende kunst in de architectuur na een tijd een blinde vlek wordt. Je kijkt het leeg, voor de gebruikers bestaat het niet meer.”

Zonnebril

We wandelen de gang in, die naar zachtgroen lijkt te verschuiven. In de gang valt de kleur veel minder op, eigenlijk is vooral de kleur van een meter of tien verderop zichtbaar, geneigd als het oog is zich aan de heersende kleur aan te passen. Als een deur opengaat stroomt rood daglicht de gang in. Zoals het afzetten van een blauwgroene zonnebril de indruk van een rode hemel oplevert. “Ik heb geprobeerd dat gekleurde daglicht te fotograferen, maar het is op de foto niet terug te zien. Ik voelde me als de held uit De donkere kamer van Damocles. Je weet zeker dat het er was, maar het staat niet op de foto.”

De natuur is zijn inspiratiebron. “Het daglicht verandert voortdurend en dat vind ik een belangrijke sensatie. En zoals een traditioneler ingesteld kunstenaar van het licht van een bepaald moment in een landschap een schilderij maakt, zo heb ik een techniek ontwikkeld om de veranderingen van het licht te laten zien.”

Acht jaar heeft hij aan het project gewerkt. Eerst experimenteerde hij met TL-buizen met gekleurde folies er omheen. Dat leek goed te gaan, maar na een half jaar vielen er grote gaten in de folie. Het was de uitwerking van het ultra-violet licht dat uit de TL-buizen komt. Het project dreigde in een impasse te raken, maar zie, twee jaar geleden bracht Osram drie gekleurde TL-buizen op de markt die perfect op elkaar aansloten. Zijn vaste technisch adviseur, ir. Dick Groot ontwierp de computersturing van de 187 dimmers. Die apparatuur was er tot hun verbazing nog niet. Verder was het een kwestie van instellen en herprogrammeren. Met een testprogramma werden de lichtsequenties versneld afgedraaid. Net zolang tot afwisseling en ritme de kunstenaar bevielen.

Het nu ontwikkelde verlichtingssysteem is ook voor andere toepassingen geschikt. Op verzoek van Frans Haks wordt in het nieuwe museum dat Mendini in Groningen gaat bouwen de mogelijkheden voor kleur-variabele verlichting onderzocht. TNO is in het project geïnteresseerd en doet onderzoek naar een dimbare drie-kleurenlamp. “Gekleurde verlichting is een gat in de markt. Ook zeer geschikt voor de huiskamer,” zegt Struycken.

We lopen terug naar de kantine, op weg naar de andere gang. Boven de kantine is hoog het glazen dak. In de ruimte daaronder het middendeel van dit lichtgevende drieluik: honderdvierentachtig gekleurde TL-buizen, die in zes lagen onder elkaar aan dunne kabeltjes in de vide hangen. Deze buizen branden voortdurend op volle sterkte. Omhoogkijkend zie je een wirwar van gekleurde lichtstrepen, maar dankzij het wonder van de additieve kleurmenging is het wit licht dat op de formica tafeltjes neerdaalt.

“Lekker lichtje” zegt een ambtenaar die uit de zachtgroene gang komt. “Vreselijk toch?”

Niet iedere overheidsdienaar is even blij met de verlichte gang en bij smalende opmerkingen blijft het niet. Ergens is een knop waarmee het kunstwerk kan worden afgezet. Die is er voor noodsituaties, bij brand of onheil moet de gang neutraal verlicht zijn en dat wordt bereikt door alle TL-buizen op volle sterkte te laten branden. Een dissidente topambtenaar heeft de weg naar de noodknop ook gevonden en zet het kunstwerk uit als hij maar even de kans krijgt. “Ik had verwacht dat de mensen het aardiger zouden vinden,” zegt Struycken. “Dat verzet is toch wel verrassend. Desinteresse met een beetje gegrom in de marge, dat is normaal. Agressie, zoals hier, dat maak je niet vaak mee. Maar binnenkort is het voorbij. Volgende week levert de Rijksgebouwendienst het kunstwerk officieel op. Het ministerie moet er dan als een goed huisvader voor zorgen, en een kunstwerk afzetten is een soort vernieling. De Auteurswet laat daar geen misverstand over.” Struycken wijst naar het plafond van de kantine, waar zachte mantovani uitkomt. “Ik mag die muzak niet uitzetten, en zij moeten dat kunstwerk intact laten.”

Is het niet wat totalitair om de verlichting van een ruimte te veranderen zonder dat de mensen daar invloed op hebben? “De mensen hebben haast nooit invloed op verlichting. Het is de gewoonte om je aan bepaalde ingrepen te onderwerpen. Als er gewoon licht aan gaat hoor je er niemand over. Maar als er een voorstel komt waar je niet aan gewend bent kun je moord en brand schreeuwen. Het is gewenning. Buiten verandert het licht ook voortdurend en daar protesteert niemand tegen.”

Maar buiten regelt de natuur het licht, hier een mens. “Ja, en dat geeft aanstoot. Iemand die de gebruikelijke voorstelling van de wereld verstoort. Geen onweer is bij machte zoveel indruk te maken als het eenvoudigste schilderij met een nieuwe mededeling.”

Bollen

De golven van gekleurd licht die door de gangen van het ministerie trekken laten de karakteristieke kenmerken van Struyckens kunst zien: structuur, afwisseling en kleur. Sinds de late jaren zestig maakt hij kunstwerken die opvallen door hun ordening. Aanvankelijk waren het geometrische patronen op een plat vlak, later werden de vormen vrijer en manifesteerden ze zich ook in drie dimensies. De golflijnen werden heuvels, de lijnen kubussen en bollen.

Aan de drie dimensies kwam Struycken vooral toe door een gestage stroom van opdrachten voor kunstwerken in gebouwen en in de gebouwde omgeving. Het gegolfde en blauw gestreepte middenterrein van het verkeersplein bij Arnhem is aan iedere automobilist bekend, en hetzelfde geldt voor de vier kleurige repen vakwerk die in Amsterdam Zuidoost op hoge palen naast de snelweg staan. De gegolfde geluidsmuur met de kleurige stippen bij het Expeditie Knooppunt van de PTT in Utrecht is een ander voorbeeld. Voor het hoofdkantoor van de verzekeringsmaatschappij Aegon maakt Struycken misschien wel zijn meest geroemde kunstwerk: zesduizend gekleurde bollen die in wolkvormige formaties aan 11 km gevlochten staaldraad in de hal hangen. Voor het Muziektheater in Amsterdam ontwierp hij een veranderlijk lichtplafond, in het revalidatiecentrun De Hoogstraat in Utrecht een tegelpatroon in de gangen. Het is maar een greep uit de grote opdrachten. Daarnaast ontwierp hij een munt en een postzegel en adviseerde hij over de toepassing van kleuren in scholen, gevangenissen, musea en kantoren.

Hoe uiteenlopend die projecten ook zijn, ze zijn met onzichtbare draden met elkaar en met zijn vrije werk verbonden. Die draden zijn de ordening in de afwisseling, de onzichtbare structuur die de willekeur bedwingt en de complexiteit van zijn vormen en kleuren overzichtelijk maakt.

Dat alles zou Struycken nooit voor elkaar krijgen zonder dat werktuig dat beter dan de menselijke geest in staat is complexe structuren te genereren en te beheersen: de computer. In 1968 volgde hij een cursus elektronische muziek aan het Instituut voor Sonologie in Utrecht. Daar maakte hij kennis met een computerprogramma dat de musicoloog G.M. Koenig voor toevalscomposities had gemaakt. Plotseling zag de kunstenaar in dat de computer hem kon helpen de structuren te ontwikkelen waarnaar hij zocht. Daarvoor had hij dagen doorgebracht met het gooien van dobbelstenen, op zoek naar een methode om een patroon van grilligheid in zijn geometrische abstracties te brengen. Hij raakte in de ban van het toeval en een jaar lang was hij er intensief mee bezig. “Het leek een fantastische manier van structureren, want als je 100 kleuren hebt, en je laat de computer er iedere keer tien uitkiezen, dan heb je steeds een andere combinatie. Totdat ik wat meer achter het typische karakter van het toeval kwam en merkte dat het bij grote constellaties tot een grote gelijkmatigheid leidt. Als je een gigantisch dambord hebt, zeg van duizend bij duizend vakjes, en je laat de computer steeds volgens het toeval kiezen of het vakje wit of zwart moet worden, dan zie je uiteindelijk een verdeling van clusteringen hier en open gaten daar die eigenlijk heel stereotiep is. Wanneer je naar een klein gedeelte kijkt, lijkt iedere plek verrassend verschillend, maar in een groter geheel wordt toeval net zo voorspelbaar als herhaling.”

Struycken kwam in contact met computerdeskundigen van de Technische Hogeschool in Delft. Was de toevalsgenerator van de computer wel in orde, vroegen ze zich af. “Want er hoeft maar iets aan die generator te mankeren of we vinden er toch een zekere orde in.” De generator was in orde, maar het werd Struycken duidelijk dat echt toeval “een buitengewoon precies omschreven toestand is” en dat daarmee ook de stereotiepe eigenschappen van toevalsstructuren konden worden verklaard.

“Ik ontdekte dat afwijking van het toeval, dus de introductie van de een of andere vorm van regelmaat een grotere variatie te zien geeft dan het blinde toeval.”

Van het een kwam hij zo in het ander. “Dan ga je kijken welke afwijking van het toeval in visuele zaken een indruk van afwisseling en verscheidenheid geeft zoals ik me die voorstel. Binnen een jaar was ik van het toeval afgezeild en heb ik het ook nooit meer gebruikt.”

Klokken

Moeizaam leerde de kunstenaar zichzelf programmeren en nu gebruikt hij algoritmen, rekenvoorschriften die de computer opdragen om voor elk punt of voor elk moment een kleur te berekenen. Niet volgens het toeval, maar volgens de dwingende functies die in de programmaregels zijn opgeslagen. Het zijn een aantal klokken die allemaal een andere slingerbeweging maken, legt hij uit, en ze sturen met zijn allen één slinger. Doordat ze niet gelijklopen, door hun interferentie, heeft de uiteindelijke slinger een grillig verloop.

“Het mooie van die rekenvoorschriften is dat je tamelijk gemakkelijk een aantal maatregelen kunt invoeren die de visuele complexiteit verhogen. Het gevaar is dat je het overzicht verliest, dat je niet meer weet welke maatregel voor welk effect verantwoordelijk is.”

Voor hem is het werken met computers daarom steeds een langdurig karwei. Hij wil het programma blijven doorgronden, maar hij kan het niet in zijn hoofd afdraaien. “Ik weet dat in die gangen ongeveer een keer in de drie weken tien minuten lang heel vlugge lichtwisselingen optreden. Dat weet ik, omdat ik dat in het programma heb opgenomen. Ik weet alleen niet wanneer dat precies gebeurt. Ik kijk naar de eigenschappen, naar de compositie en ik kies voor de grootste afwisseling. Niet dat ik me daar een voorstelling van kan maken, maar ik weet wel wat ik niet moet hebben: een zekere voorspelbaarheid. Mijn onderwerp is afwisseling - zoals voor een ander appels en peren.”

Maar de afwisseling moet niet te groot worden, want je komt gauw aan de rand, de complexiteit wordt dan te hoog. “Als een kleur op ieder moment op iedere plaats op een vlak kan opduiken, dan verlies je ogenblikkelijk je belangstelling. Dan denk je: het zal wel. Het gaat om een spoor van verband, zonder dat je kunt aanwijzen wat dat verband nu precies is.”

Kolommen

Niet alles valt te voorzien, zegt de kunstenaar. Maar dat is ook het mooie, als het programma eindelijk goed is, overtreffen de resultaten vaak de stoutste verwachtingen. Zoals het daglicht dat weer kleur wordt in de verlichte gangen. “En de schaduwpartijen. Er staan kolommen in die gangen, die steeds een kleine onderbreking van de verlichting geven. Ik dacht eerst dat ze belemmerend zouden werken, maar nu blijkt dat alles in termen van kleur werkt en die schaduw levert opnieuw een kleurplek op. De kleursensatie die gegenereerd wordt - dat is voor mij het grootste cadeau.”

Hij hoopt maar dat de ambtenaren daar op gaan letten, hij zal ze daar ook op wijzen in de lezing die hij gaat houden als het kunstwerk in gebruik wordt genomen. “Maar als het je niet interesseert dat plotseling alle licht kleur wordt, ook het daglicht, dan zie je het ook niet.”

Hij vertelt over een kleuradvies dat hij voor het nieuwe Huis van Bewaring in Rotterdam maakte. Op verzoek van de architect, de kleurenblinde Carel Weeber, zocht hij voor iedere cel een andere kleur uit. Alleen rose mocht niet, dat was te stigmatiserend. “De gevangenisdirectie heeft voor alle zekerheid steeds genoteerd in welke cel een gedetineerde zat, en heeft zo kunnen constateren dat er van de kleur geen enkele invloed op hun gedrag uitging. Gevangenen in rode cellen waren niet agressiever dan gevangenen in groene of blauwe cellen. Dat is toch wel geestig. Terwijl wij in een cultuur leven waarin we, in navolging van Goethe, per se denken dat dat wel zo is!”

Het is de hoogste tijd dat er over kleur nieuwe dingen worden gezegd. Het is eigenlijk zo jammer, vindt hij, dat aan kleuren bepaalde betekenissen vastzitten. De mensen vragen hem vaak of hij een voorkeur heeft voor een bepaalde kleur en hij zegt dan altijd: “Mijn voorkeuren schieten te kort bij de tien miljoen kleuren die ik kan onderscheiden. Ik zou willen dat ik zoveel emoties had dat ik ze in al die schakeringen kon onderbrengen.” Wat hij betreurt, dat is de stigmatisering van kleur. “Door aan een kleur een bepaalde emotie te verbinden wordt die kleur vastgelegd in zijn betekenis en gevoelswaarde. Terwijl ik het juist zo heerlijk vind dat die dingen niet vastliggen, en voortdurend opnieuw bepaald moeten worden. Als er nu een ding is waar telkens nieuwe bepalingen geen gruwelijke gevolgen hebben voor mens, dier en milieu dan is het toch wel kleur.”

Er is in kleur een interessante verschuiving gaande, zegt Struycken. “Van oppervlaktekleur naar lichtkleur.” We zijn gewend aan verf, en aan het gekleurde oppervlak van de dingen om ons heen. Maar nieuw is dat we nu ook het licht kunnen kleuren. Daarmee is een belangrijke stap gezet, tenminste zo belangrijk als eens de stap van tempera en fresco naar olieverf. “Het zwart in fresco's was altijd donkergrijs, want de witte kalk maakte dat je nooit diep zwart kon krijgen. Toen kwam de olieverf, en olie in combinatie met het pigment gaf aan de kleur een diepte die daarvoor niet bestond. Olieverfschilders als de gebroeders van Eyk hebben dat nieuwe gebied in artistieke zin ongelooflijk uitgebuit.” Gekleurd licht, meent Struycken, zal de artistieke mogelijkheden op dezelfde manier kunnen vergroten, maar merkwaardige genoeg wordt er nog weinig mee gedaan. “Dat gebied ligt braak. Het vraagt hoognodig om een lumineuze invulling.”