Het is onze taak om te vergeten; Het Kamerstuk, een compositie van zes conservatoriumstudenten

Erg uitgesproken is hun politieke voorkeur niet, maar een voorzichtige enquête wijst uit dat de meesten links van het midden staan. Daarmee vormen de zes studenten van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag die gezamenlijk Het Kamerstuk schreven ter gelegenheid van de opening van het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer, geen doorsnee van de Nederlandse samenleving. Viel dat niet te verwachten van jonge kunstenaars, die over het algemeen kritisch staan tegenover de wereld om hen heen? Sterker nog, hoe kunnen componisten zich eigenlijk op zo'n duidelijke manier inlaten met De Macht?

Een van de studenten voert als excuus aan dat het verzoek van de Tweede Kamer kwam op een moment dat er sprake leek van een verhoging van het kunstbudget. In het verleden werd de meeste muziek geschreven in opdracht van gezagsdragers, relativeert een tweede, maar dat betekende nog niet dat de componisten ook hun beleid steunden.

Eigenlijk gaat de opdracht niet over politiek, vinden ze. Het Kamerstuk is in het Westen geschreven, door componisten die de mazzel hebben te leven in een democratisch systeem, niet voor een politieke partij maar ter ere van de opening van een gebouw, de debating chamber van de democratie. Het gaat om het politieke proces en niet om de uitkomst ervan. Dat proces kunnen componisten ondersteunen met muziek, de krachtigste taal die er bestaat.

Sneu

Aanvankelijk was de Tweede Kamer van plan een compositiewedstrijd uit te schrijven onder conservatoriumstudenten en het winnende stuk bij de feestelijke opening op 28 april te laten uitvoeren. Dat was echter sneu voor studenten van wie het werk zou worden afgewezen. Men bedacht iets anders: conservatoria mochten ieder een voorstel indienen om de opening muzikaal te omlijsten en het Fonds voor de scheppende toonkunst zou het aardigste kiezen.

Het Haagse conservatorium wilde een aantal compositiestudenten aan het werk zetten, die ieder een deel zouden schrijven van een gezamenlijk Kamerstuk. Zo kon men een grote verscheidenheid aan stijlen garanderen, een soort equivalent van de diversiteit aan meningen in de Kamer, en bestond de mogelijkheid om losse delen van het werk op passende momenten tijdens de openingsdag uit te voeren. Compositiedocent Gilius van Bergeijk kreeg de artistieke supervisie en distilleerde bovendien uit alle stukken een soort muzikale collage, die later op de dag als geheel wordt uitgevoerd.

Samen met jonge musici van conservatoria in Maastricht en Rotterdam is inmiddels een cd-opname gemaakt van Het Kamerstuk, die op 28 april aan de genodigden wordt uitgereikt. Op het eindresultaat rust nog een streng embargo. De feestcommissie wil de verrassing tot de opening bewaren en het conservatorium hoopt met de geheimhouding een tweede Kounellis-affaire te vermijden. Leden van de Tweede Kamer weten niet wat ze te wachten staat en kunnen dus onmogelijk vooraf bezwaar maken.

Het is overigens de vraag of politici aanstoot zullen nemen aan Het Kamerstuk. Mild heroïsche kopergeschetter zouden ze kunnen beschouwen als een karikatuur van de traditionele staatsmacht en tekstloze zang is met enige fantasie op te vatten als een muzikaal equivalent van het loze gebabbel, maar over het algemeen wekt Het Kamerstuk een vrolijke, feestelijke indruk. De betekenis die de studenten aan hun werk geven ligt in ieder geval niet aan de oppervlakte.

Bij de rondleiding in september door het nieuwe gebouw, bedoeld om inspiratie op te doen, vertelde kamervoorzitter Deetman aan de zes studenten, dat hij een liefhebber was van volksmuziek. Dat was voor Ric Sims (30) aanleiding om citaten uit Gekwetst ben ik van binnen en De Amsterdamse grachten in zijn stuk te verwerken. Sims: “Door deze citaten en een fragment van mijn leraar Louis Andriessen als uitgangspunt te kiezen voor mijn muziek, wilde ik mijn respect voor Nederland uitdrukken. Ik kom uit Engeland, waar het artistieke klimaat veel slechter is dan hier.

“Ik vind niet dat een componist stil moet blijven staan bij het verleden. Hij voelt het gewicht van de traditie op zijn schouders rusten, maar het is zijn taak om te vergeten, om de traditie naar zijn hand te zetten. Daarom heb ik de citaten, vooral in het eerste deel, verborgen achter mijn eigen noten.”

Calliope Tsoupaki (28) kwam, net als Sims, mede naar Nederland wegens het gunstige muzikale klimaat, maar zij koos niet voor elementen uit de Nederlandse volkscultuur. Ze wilde juist aan de Nederlanders tonen hoe de Grieken bij het feestvieren uitbundigheid afwisselen met gezellige rust. Tsoupaki componeerde een intiem "lied' voor strijkkwartet en een jolige dans voor de ongewone bezetting van zestien hobo's. De hobo is een instrument dat lijkt op een aulos, een soort schalmei uit de Griekse oudheid. Tsoupaki: “Ik wilde vooral mooie muziek schrijven, zonder politieke lading, die paste bij de feestelijke gelegenheid. Het "lied' voor strijkkwartet is gebaseerd op een simpele melodie van twee noten, die telkens van sfeer verandert doordat wisselende akkoorden er een andere kleur aan geven. Dit strijkkwartetje moet gespeeld worden tussen de officiële toespraken door. Op zo'n moment kan een subtiel, bescheiden geluid in die grote ruimte een enorme lading krijgen.”

Popmuziek

Justin Billinger (26) is niet uit op subtiliteit, hij richt zich op extremen. Als hij het eerste deel van zijn bijdrage begint met een voorzichtig elektronisch geproduceerd motiefje is dat vooral om daarna stevig uit te pakken met ruige popmuziek-klanken. Het stuk heet In principe want, aldus de componist, "in principe zet een componist dit soort verschillende stijlen niet op zo'n botte, grove manier achter elkaar'. Billingers tweede bijdrage is een recht-toe-recht-aan popsong. Billinger: “Ik heb de tekst zelf geschreven. Het gaat over een zelfingenomen hardrockzanger die zijn liefdesleed met iedereen wil delen en uiteindelijk aan zijn "ziekte' sterft, om terug te keren als een herboren christen. Het verhaal is nogal ironisch. Ik wilde iets maken waarvan ik zeker wist dat het af zou steken bij wat de anderen hebben gedaan.”

Dat deed ook Richard Ayres (26), afkomstig uit Cornwall. Hij gebruikte een viool, een doedelzak en een keltische harp, instrumenten uit de Ierse volksmuziek. Zijn minimal-achtige muziek (zelf zou hij zijn werk nooit zo omschrijven) herinnert eerder aan een begrafenis dan aan een feest. Dat was precies de bedoeling. Ayres: “Door het lamenterende karakter wilde ik de Tweede-Kamerleden herinneren aan hun taak, die hun is gegeven doordat mensen op hen hebben gestemd. Bovendien schreef ik dit werk nadat ik hoorde dat een muzikale held van mij, een zanger van een Ierse punkband, ernstig ziek was. Dat laat iets zien over mijn politieke opvatting, die uitgaat van mensen en niet van ideeën.”

Maarten van Norden (36) zocht wel naar muzikale associaties voor deze gelegenheid. Het moest iets fanfare-achtigs worden, dat paste bij de monumentale ruimte waarin de muziek ging klinken. Hij schreef een feestelijke quasi-mars, die voortdurend verstoord wordt door het ritme van de Antilliaanse calypso. Van Norden citeerde ook een Indonesisch liedje, maar associaties met het Nederlands koloniale verleden berusten volgens hem op toeval. Van Norden, die lid is van de popgroep Future Shock: “Ik wilde laten zien dat serieuze klassieke muziek en populaire muziek met elkaar te verenigen zijn.”

Jan Bas Bollen (30) liet zich inspireren door de architectuur van het nieuwe gebouw, die volgens hem asymmetrisch aandoet. Hij koos in Bauh, een werk voor klavecimbel, elektronica en stem, een opvallende proportie (een getal met dertien cijfers achter de komma) als uitgangspunt voor zowel de toonhoogtes als de tijdsduur. Bollen: “Daarmee creëer ik een soort potentiële muzikale ruimte. Ik ben die muzikale ruimte binnengegaan met een gereedschapskist vol compositiemateriaal, dat voor het grootste deel is ontleend aan het helse lawaai dat we hoorden bij onze rondleiding door het nieuwe gebouw. Er werd nog volop gewerkt, getimmerd, gezaagd en geboord. Ik gebruik een tekst uit De oratore van Cicero, over de retoriek, waarin hij schrijft dat men altijd kan zien of iemand zijn vak goed verstaat, zelfs als hij zich achter holle retoriek verschuilt. Dat geldt volgens Cicero voor kunstenaars en balspelers in het gymnasium, maar ook voor leden van de Senaat.”

Bauh heet het werk van Jan Bas Bollen. Volgens de componist is dat een verwijzing naar het Nederlandse woord "de bouw' en naar "auw'. Want het is een gebouw waaraan men zich in de toekomst nog lelijk kan stoten.