Hamlet in Beiroet; Oorlogsroman van Oriana Fallaci

Oriana Fallaci: Insjallah. Vert. Thomas Graftdijk. Uitg. Bert Bakker, 652 blz. Prijs ƒ 49,50 (pap.) en ƒ 69,50 (geb.)

Oriana Fallaci heeft eens geschreven dat de menselijke waardigheid door bijna niets zo onder de voet wordt gelopen als door oorlog en “door niets zo vertrapt als door een onrechtvaardige oorlog”. Je kunt je afvragen op grond van welke criteria de rechtvaardigheid van een oorlog te toetsen is en in hoeverre een oorlog soms onvermijdelijk is. Desondanks maakt de Italiaanse journaliste-publiciste in haar onlangs in het Nederlands vertaalde roman Insjallah eens te meer duidelijk dat oorlog de samenleving ontwricht, de mensheid corrumpeert en vooral het individu vermorzelt.

Insjallah gaat over het Italiaanse contingent militairen dat in het kader van een internationale vredesmacht in Beiroet is gestationeerd. Fallaci's epos begint op 23 oktober 1983, toen twee zelfmoordcommando's het hoofdkwartier van de Amerikanen en dat van de Fransen in de Libanese hoofdstad opbliezen. Bij deze aanslagen kwamen 58 Franse paratroopers en 241 Amerikaanse mariniers om. Vanaf de dag waarop deze terroristische daden worden gepleegd tot het moment van vertrek van de Italiaanse troepen drie maanden later, vrezen de Italianen het volgende doelwit van een kamikaze-actie van de Kinderen Gods te zijn. Hun handelen staat derhalve in het teken van het sluiten van dubieuze compromissen want in Beiroet heeft alles zijn prijs. Alles wordt versjacherd, alles is te koop en wordt gekocht; de dood en dus ook het leven (de geheime, politieke onderhandelingen over de vrijlating van de westerse gijzelaars zijn een recent voorbeeld).

Fallaci beschrijft de lotgevallen van een groot aantal Italiaanse militairen en enkele Libanezen, waarbij Angelo, een Italiaanse student wiskunde, een hoofdrol speelt. Hij wordt gepresenteerd als ware hij een Hamlet-achtig schildknaapje van Odysseus dat op zoek is naar de formule van het leven. Door een speling van het lot verliest hij zijn geliefde (Ophelia), de mooie Libanese Ninette.

Alle Italiaanse personages, of het nu gaat om de af en toe barse en dan weer sentimentele generaal (de Condor), de intelligente Charlie die zich identificeert met Lawrence of Arabia, de tolk Martino die zijn homoseksualiteit angstvallig verborgen houdt, de rokkenjager Pistoia of de overmoedige Havik; allen verlaten Libanon gedesillusioneerd en hebben elke vorm van onschuld verloren. Wanneer de naïeve dienstplichtige soldaat Ferrucio de Franse slachtoffers van de zelfmoordactie aanschouwt, zegt hij: “(-) vanaf vandaag geloof ik nergens meer in”. Alle hoop lijkt verloren en dat is wat Fallaci zo kwaad maakt want ze koestert een liefde voor het leven.

De drijvende kracht achter Fallaci's werk is woede, zo heeft ze naar aanleiding van haar boek Interview met de geschiedenis verklaard. Woede over onrecht, woede over machtsmisbruik, woede over de oorlog die automatisch dood en verderf veroorzaakt. In Niets en zo zij het, haar Vietnam-dagboek, probeert Fallaci als de buitenstaander My Lai uit te leggen, terwijl ze in Een man op ontroerende en zeer persoonlijke wijze haar romance met Alexander Panagoulis beschrijft. Panagoulis, aanvoerder van het Griekse verzet tegen het kolonelsregime, werd in 1976 vermoord.

In deze boeken kiest Fallaci partij, tegen het onrecht, dus tegen de Griekse fascisten en tegen “die waardige zonen, waardige kleinzonen” van de mannen die Europa van het nazi-juk ontdeden (de Amerikanen). In Insjallah kiest Fallaci echter geen partij, waarschijnlijk omdat ze - net zoals zo velen - niet meer weet wie schuldig is aan die ellendige, slepende Libanese burgeroorlog waardoor Beiroet, ooit het Zwitserland van het Midden-Oosten genoemd, veranderde in een hel van Dante. Een van de personages, de Professor, merkt in het boek op: “(-) de tragedie is nu een klucht geworden en de klucht woont hier samen met de waanzin”.

Lichtkogels

Fallaci wijst niet met haar vingertje naar een bepaalde groep maar stelt indirect alle betrokkenen aansprakelijk voor de Griekse tragedie die Libanon al jaren is. Zowel de falangisten van de Gemayel-clan en de Libanese sji'ieten als de Palestijnen en Syrië moeten het ontgelden. Evenals de Israeli's die de moordpartijen in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Chatila door de falangisten oogluikend hebben toegestaan. De Israeli's waren toen oppermachtig in het gebied waar de vluchtelingenkampen zich bevinden en zouden lichtkogels hebben afgeschoten zodat het zicht voor de moordende christelijke militie tijdens de zwoele septembernacht goed was.

De schrijfster blijkt ook in haar nieuwste roman een journalist in hart en nieren want ze registreert de chaos die ze jarenlang als oorlogsverslaggeefster in Vietnam en in het Midden-Oosten heeft waargenomen. En dat doet ze bijzonder knap. Ze heeft een meeslepende schrijfstijl, met een bepaald soort ritme waardoor de lezer in de ban raakt van de 652 pagina's tellende roman. Maar men moet er wel even voor gaan zitten. Bovendien blijkt Fallaci een meester in de dialoog en is ze niet te beroerd de draak te steken met de onvolkomenheden van haar personages.

Toegegeven, Insjallah had iets korter gekund. Sommige militaire manoeuvres worden zeer uitvoerig, op het absurde af, beschreven en de epiloog is iets te breed uitgesponnen want de ontknoping vindt al plaats op pagina 536. Het lijkt erop dat de schrijfster, nadat ze vijf jaar in haar appartement in New York aan de roman had gewerkt, moeite had afstand te doen van haar geesteskind. Daar komt nog bij dat niemand haar heeft kunnen corrigeren omdat ze - paranoïde en arrogant als ze is - verschillende redacteuren verschillende hoofdstukken heeft laten redigeren opdat het manuscript niet zou uitlekken.

Gevoel voor dramatiek is Fallaci dan ook niet vreemd. Ze schuwt geen enkel middel om de gruwelen van de oorlog in detail weer te geven. Schokkend is een van de beginscènes wanneer "de held' Angelo een Italiaanse soldaat ontwaart die tussen de puinhopen rond het Amerikaanse hoofdkwartier een in de helm afgeslagen hoofd van zijn Amerikaanse maatje tegen de borst houdt. Hiermee heeft Fallaci meteen de toon gezet, alsof ze de lezer wil waarschuwen voor het debâcle dat zal volgen.

Dat Fallaci rond die bomexplosies van 23 oktober 1983 zo'n prachtige en treurige roman, opgedragen aan de Franse en Amerikaanse slachtoffers, heeft geschreven is enigszins opmerkelijk. Immers, de burgeroorlog was toen al jaren aan de gang en is nog steeds niet opgelost, waarbij het Westen zich er betrekkelijk weinig van heeft aangetrokken. Maar Fallaci moet zich gerealiseerd hebben dat het dubbele bloedbad in het Westen een traumatisch effect heeft gehad. Zelfs in Vietnam hebben de Amerikanen op een dag niet zoveel mensenlevens op een dag verloren en voor het eerst sinds de Algerijnse Oorlog vielen er Franse militaire slachtoffers.

Letterlijk betekent Insjallah als God het wil. Fallaci's roman doet denken aan het gedicht van Khalil Gibran "Pity the Nation', waaraan Robert Fisk de titel van zijn boek over de Libanese burgeroorlog ontleende: "Pity the nation that is full of beliefs and empty of religion'.