Filosofie

Telkens als ik lees dat de Nederlandse literatuur zoveel heeft gewonnen bij het contact met de filosofie, moet ik denken aan een cartoon die de wiskundige John Allen Paulus eigenhandig - dus een beetje klungelig - heeft getekend in zijn boek Ik denk, dus ik lach.

Vanuit een gang zie je naast elkaar twee kamers, waarvan de deuren open staan. Boven de deur van de ene kamer hangt een bordje met de tekst: “Logisch positivisten. Waarover je niet spreken kunt. Zwijg.”

Boven de deur van de andere kamer hangt: “Onlogisch positivisten. Waarover je niet zwijgen kunt. Spreek.” In beide kamers zitten mannen aan een tafel te vergaderen, maar wat een verschil in vergaderstijl!

Bij de logisch positivisten is de stemming somber. Elk woord wordt hier streng op een goudschaaltje gewogen. Als iemand na lang nadenken toch iets zegt, wordt zijn opmerking onmiddellijk door een algemeen gegrom verworpen. In deze kamer regeert de ernst, maar veel te doen is er niet. De meeste aanwezigen zitten te knikkebollen en een paar zijn al in slaap gevallen.

Heel anders gaat het toe bij de onlogisch positivisten. Hier heerst een drukte van belang. Men praat met handen, armen en benen. Woorden en zinnen worden over tafel geslingerd. Men kwettert en zwetst er lustig op los. Erg hoog zal het niveau van het gesprek niet zijn en de kans dat er filosofisch verantwoord wordt gedebatteerd lijkt klein, maar er wordt hier ten minste geleefd.

Wie denkt dat de literatuur baat heeft bij een bestuiving door de filosofie, moet wel beseffen dat de moderne filosofie zich na Whitehead, Russell en Wittgenstein juist heeft afgekeerd van de literatuur. De filosofie is sindsdien vooral de richting opgegaan van de logica en de epistemologie. Ze heeft zich op die manier dienstbaar gemaakt aan de natuurkunde en aan andere exacte vakken, maar of zij daarmee ook nuttig kan zijn voor de literatuur is zeer de vraag.

Soms lijkt het er wel eens op dat degenen die de literatuur oproepen om zich tot de filosofie te bekeren, totaal geen idee hebben van wat filosofie is en waar moderne filosofie over gaat. Jaap Goedegebuure is daar een kras voorbeeld van. In HP/De Tijd van deze week verwijst hij naar W.F. Hermans als het voorbeeld van zo'n filosofische romanschrijver. Zijn stelling denkt Goedegebuure te bewijzen met dit argument: “Door Nietzsche en Wittgenstein elk op hun eigen manier tot spreken te brengen verbreedt Hermans het thema van de bezettingstijd. De donkere kamer van Damocles is niet alleen een spannend oorlogsboek, maar ook een verbeelding van de eeuwige strijd van man tegen man, een strijd waarbij het vaak niet eens zeker is of je vecht tegen bestaande tegenstanders of tegen hersenschimmen.” Deze samenvatting van Hermans' roman is van een knullige clichématigheid, maar daar gaat het nu even niet om. Waar het om gaat is dat de eeuwige strijd van man tegen man juist niet behoort tot het terrein van de moderne filosofie. In de 19de eeuw viel de eeuwige strijd van man tegen man misschien onder de moraalfilosofie of onder de ethica, maar tegenwoordig wordt dit thema vooral opgeëist door de psychologie, de psycho-analyse en voor mijn part door de polemologie. Niet voor niets heeft Hermans Freud als inspiratiebron voor De donkere kamer genoemd en verscheidene malen heeft hij daarbij gezegd zichzelf in eerste instantie als een psychologisch schrijver te beschouwen.

Dat Hermans een aantal essays over filosofie en filosofen heeft geschreven, maakt hem nog niet onmiddellijk tot een filosofische romanschrijver. Een groot schrijver kan over alles boeiend schrijven. Hij kan, zonder een filosofische term te gebruiken, over het timmeren van een sinaasappelkistje schrijven op een manier die een wereld voor je opent. Het gaat niet om het onderwerp, het gaat om de stijl waarin geschreven wordt.

Hermans zelf heeft trouwens niet zulke hoge verwachtingen van de filosofie, zelfs niet van de analytische filosofie. In Wittgenstein in de mode en Kazemier niet citeert hij met instemming John Wisdom: “If you stimulate a philosopher in a suitable way he will begin to philosophize.” Laat de filosoof filosoferen en de romanschrijver roman schrijven, elk op hun eigen manier en in hun eigen kamer.