Epigrammen vertaald door Helene Nolthenius; Griekse kleinodien

De cicade op de speerpunt: de Griekse oudheid in 160 epigrammen. Gekozen en vertaald door Helene Nolthenius. Uitg. Querido, 72 blz. Prijs ƒ 25,-

Er zijn uit de Griekse oudheid duizenden en duizenden epigrammen bewaard gebleven. Het genre blijkt, vooral in de periode van het Hellenisme, buitengewoon populair geweest te zijn. Onder de beoefenaars ervan vinden we niet alleen minor poets als Antiphilos en Mnasalkes, maar ook literaire coryfeeën als Sappho en Plato. Verreweg de meeste van deze epigrammen kennen we uit de zogenaamde Anthologia Palatina, een verzameling Griekse epigrammen, die pas in de Middeleeuwen haar definitieve gestalte kreeg.

Het epigram is van alle literaire voortbrengselen het kleinste, het kortste en het bondigste. Gewoonlijk zijn er twee delen in te onderscheiden: een aanloop (waarin een situatie of gedachte neutraal naar voren wordt gebracht) en een slot (waarin die situatie of gedachte in een bizar of paradoxaal licht wordt geplaatst). De kracht van het epigram ligt in de pointe: als die niet "werkt', kan het gedicht literair als mislukt worden beschouwd.

De bundel Cicade op de speerpunt bevat honderdzestig Griekse epigrammen uit allerlei gebieden en perioden. Ze zijn vertaald door Helene Nolthenius, die zich, zoals we uit haar voorwoord kunnen opmaken, tussen haar andere activiteiten door dertig jaar lang met het antieke epigram heeft beziggehouden. Haar vertaling is gestoeld op twee uitgangspunten: enerzijds op de literaire vormgeving, en anderzijds op de cultuurhistorische informatie. Beide zijn voor haar van belang: de epigrammen zijn immers niet alleen uitingen in taal, maar ze bevatten ook mededelingen over het dagelijks leven.

In het geheel van de Griekse beschaving hebben de epigrammen dezelfde waarde als scherven in een opgravingsveld: afzonderlijk betekenen ze niet zo veel, maar als je ze bij elkaar brengt kun je er soms een mooie vaas aan overhouden. Bepaalde facetten van het antieke denken en doen kunnen dankzij deze pretentieloze gedichtjes stukje bij beetje gereconstrueerd worden: gezondheid en ziekte, oorlogvoering, seksualiteit, zeevaart, feesten, landbouw, al deze onderwerpen (en nog veel meer) zijn er rijk in vertegenwoordigd. Onze kennis van de Helleense realia zou zonder deze epigrammen aanmerkelijk geringer zijn geweest dan ze nu is. In dit opzicht biedt ook Nolthenius' boek verhelderende en verrassende inzichten.

Wat de meer artistieke kant betreft, Nolthenius houdt zich in haar vertalingen aan het metrum van het origineel, dat ze (mijns inziens terecht) beschouwt als een "onvervreemdbaar bestanddeel van een vers'. Ze zet dus het Griekse distichon, dat bestaat uit een hexameter plus een pentameter, om in een identiek Nederlands distichon, waarbij overigens het Griekse lettergreepvers noodgedwongen voor het Nederlandse accentvers moet wijken. In het algemeen lopen Nolthenius' verzen goed, maar vooral in de slotpentameters had ik het metrum graag wat strakker en hamerender gezien: nu vertoont de pointe ritmisch gesproken nogal eens het bekende nachtkaarseffect.

Ondanks dit bezwaar blijft in het merendeel van Nolthenius' vertalingen het epigram als kunstzinnig kleinood overeind. Ook in hun (vaak inventieve) Nederlandse weergave zijn deze pittige en soms zelfs prikkelende light verses de moeite van een kennismaking zeker waard. Je moet natuurlijk niet alle epigrammen achter elkaar gaan lezen, maar dat ligt bij dit soort poëzie voor de hand: ook een doos bonbons eet je niet in één ruk leeg.