Een duif lust graag een kroket; Vrije gedichten van Martin Reints

Martin Reints: Lichaam en ziel. Uitg. De Bezige Bij, 56 blz. Prijs ƒ 27,50.

Een gedicht schrijven van bijvoorbeeld veertien regels en dan willen dat ze alle veertien rijmen en even lang zijn en uiteenvallen in twee strofen van vier en twee van drie en er dan ook nog een inhoudelijke wending in willen aanbrengen: dat is moeilijk. Maar nog moeilijker is het om een gedicht te schrijven dat aan geen enkel voorschrift voldoet, behalve dan dat goede regels door goede regels moeten worden opgevolgd. Martin Reints is een dichter die zulke gedichten wil schrijven: zonder rijm, metrum, vaste regellengte, vaste strofering en vrijwel zonder interpunctie. Er zijn er wel meer die het zo doen, maar die kunnen op een zeker moment terugvallen op een eigen, in de loop der jaren op de vrijheid veroverde vorm. Voor Reints geldt dat voorlopig nog niet, want hij is na ruim twintig jaar dichten pas aan zijn tweede bundel toe. Begin jaren zeventig publiceerde hij zijn eerste gedichten in Raster, tien jaar later verscheen zijn debuut Waar ze komt daar is ze (1981) en nu, nog weer eens tien jaar later, is er dan zijn tweede bundel Lichaam en ziel met negentien lange gedichten die meestal in een of meer onderdelen uiteenvallen.

De reeksen van Reints moeten het hebben van hun compositie, dosering, trefzekere afwisseling van neutrale en sterke regels, betekenisvolle afbrekingen en effectief witregelgebruik. Daar komen nog wel enkele problemen bij. Om te beginnen werkt Reints graag met gevonden regels, zoals toevallig geziene opschriften, op TV of op straat gehoorde uitroepen, reclameregels, citaten uit encyclopedieën, de Bijbel, Griekse tragedies en andere literatuur; en al die geleende zinnen moeten in het geheel een natuurlijke plaats krijgen. Bovendien moet hij er ook nog eens, zoals iedere dichter, voor zorgen dat het er allemaal niet te gemaakt, te serieus of zwaarwichtig gaat uitzien, terwijl van de andere kant de ironie niet de overhand mag krijgen. Het liefst bevindt hij zich in een licht laconiek tussengebied dat net zo gemakkelijk kan overgaan in onthechte observaties als in alledaagse joligheid.

Neem nu het begin van de afdeling ”Onze grote rivieren', waarvan de titel al niet helemaal neutraal is. In een decor van Hollandse rivieren en wolkenluchten ziet Reints het volgende: ”Over de dijk/ langs de onrustige rivier/ sjokt iemand ter bevordering van zijn conditie/ op loopschoenen van een bekend merk'. In feite staat hier niets bijzonders, al zal iedereen toch wel even grinniken. Om de formulering ”van een bekend merk', alsof de reclamecodecommissie meeleest. Om het merkwaardige woord ”loopschoenen': het bestaat, maar het blijft er pleonastisch uitzien. Om het woord ”sjokt', dat nog net weer iets anders is dan ”jogt'. En om de tegenstelling tussen natuur en cultuur, tussen een eeuwenoud imposant rivierenlandschap en het moderne verschijnsel dat iemand daar hardloopt om zijn conditie te verbeteren. In de vijfde regel dient zich op de dijk iemand anders aan, op een fiets, onderweg naar een dorp. De gevolgen kunnen niet uitblijven: ”de twee mensen/ elkaar staande gehouden hebbende/ (de een de ander de weg gevraagd hebbende)/ (en vervolgens de tijd)/ turen samen in het verschiet'. Van een afstand, in een afstandelijke stijl met ouderwetse en moeizame deelwoordconstructies, wordt hier iets volslagen onbenulligs beschreven. Het is de kunst om van niets iets te maken, vergelijkbaar met het ”Alpejagerslied' van Van Ostaijen. Prachtig omslachtig, als een traditionele dichter met veel gevoel voor de samenhang der dingen brengt Reints hier mens en natuur, handgebaar en gebladerte, rivierloop en plantengroei onder in één groots verband - totdat hij het ook niet meer houden kan en uit zijn rol valt, in een verzuchting over die hele plantkundige rimram, de botanische potpourri daar in die uiterwaarden.

Van dit soort registerwisselingen, zorgvuldig voorbereide ontsporingen met humoristisch effect, zijn er veel te vinden. In ”Man in eetkamer' treffen we deze analyse van een vader, een moeder en een zoon aan tafel: ”en ze praten en hanteren het bestek en het servies/ en spelen hun rol in de kringloop van de materie.' Stelligheden, wijsheden en definities worden afgewisseld met alledaagse waarnemingen: ”een duif lust graag een kroket/ maar zijn motoriek is daartoe onvoldoende aangepast”. En steeds zijn er flarden van het moderne leven, het sullige leven op woonerven, met karrewielen in de tuin en een lamparmatuur in de kamer, snackbars, groenvoorzieningen, postagentschappen, winkelcentra en de onvermijdelijke zaal De Hoeksteen. Hoe, zo vraagt Reints zich als een hedendaagse Prediker af, ”hoe is het nieuwe polderland een eerlijk zeemansgraf/ en ook parkeerterrein voor opgegeven winkelkarretjes?'

Je zou de taal en haar vele registers kunnen zien als het eigenlijke onderwerp van Reints' poëzie. Of het hem nog om iets anders te doen is? Het is moeilijk te zeggen. Ik moest bij het lezen vaak aan Faverey denken en aan de vele manieren waarop diens poëzie benaderd is en wordt: sommigen zien er boeddhistische meditaties in, anderen superieure onzin. Bij Reints doet zich hetzelfde voor. Er wordt het nodige overdacht en overwogen, er zijn regels die er echt filosofisch uitzien en wie wil kan er genoeg boodschappen uithalen. Erg vrolijk zullen die boodschappen niet zijn, zoals aan de interne beweging van de gedichten al valt af te lezen. Hij stelt zich ontvankelijk op, alles is erop ingericht om tot tekst te komen (tafel, raam, uitzicht, woordenboeken, schrijfmachine worden meer dan eens genoemd), er wordt een stramien opgezet, maar halverwege treedt er een hapering op of is er opeens een andere wereld die zich ertussen gaat schuiven, met als gevolg dat de bewering blijft steken en de dichter maar op een andere manier het einde moet zien te halen. Zo gaat het er in het leven ook vaak aan toe: iets ontstaat, neemt vorm aan, hapert dan en verdwijnt weer, alle gedenk ten spijt. ”De zin (-) ligt in de afwezigheid van een doel,/ ligt in de overbodigheid die hier/ zo overvloedig mij omgeeft.'

Vergankelijkheid valt alom te bespeuren, gevangen in mooie tautologische formuleringen: ”wat voorbijgaat houdt geen stand' lezen we ergens, en: ”de rivier stroomt afwaarts/ de wolken gaan zoals de wind ze stuurt'. Voor de dichter zit er weinig anders op dan zich ermee te verzoenen. In Worpswede, verdwijnen paden langzaam onder het gras, gras dat op zijn beurt ”verwerking wacht tot stront', terwijl die stront weer ”in ander gras zal liggen drogen'. Zo gaat dat. ”En over alles komt de wind'. Spreekt hier het verlangen naar onthechting, naar de betekenisloosheid van muziek? Is dit hogere humor? Of wordt hier troost verschaft? Alle drie, zou ik zeggen.