De priesters raasden op motoren door de jungle; Bodo Kirchhoff over de Filippijnen, volmaakte liefde en Duitsland

Bodo Kirchhoff, expert in verstoorde relaties, schreef een monumentale roman Infanta over een bijna volmaakte liefde tussen man en vrouw. De hoofdpersoon is fotomodel en hij belichaamt het narcisme van de Westeuropese beschaving. Wat gebeurt er als zo iemand onder één dak gaat leven met enkele oude jezuïeten op de Filippijnen? Een gesprek met Kirchhoff.

Bodo Kirchhoff: Infanta. Vertaling Carlien Brouwer. Uitg. Meulenhoff, 432 blz. Prijs ƒ 49,50.

Infanta, 1985, een dorpje op het verzengende zuidereiland van de Filippijnen. Op een missiepost, die bevolkt wordt door vijf oude paters, ontmoet Kurt Lukas, veertig, Duits fotomodel, de jonge en inlandse Mayla, een weergaloze schoonheid die voor de paters kookt. Ze wordt de liefde van zijn leven. Op de achtergrond rommelt de burgeroorlog. De president (Marcos), uitgedaagd door de Dappere Weduwe, zingt zijn zwanezang. Er wordt gefeest en gemoord, gezongen en gebeden. Het leven in Infanta gaat zijn gang, in kerk en kroeg, in hutten van blik en stro, geïmproviseerde schoonheidssalons en beduimelde kiosken. Bodo Kirchhoff, expert inzake verstoorde relaties (Verre vrouwen), schreef met Infanta een monumentale roman over een ongecompliceerde, bijna volmaakte liefde tussen man en vrouw.

Wilde u met "Infanta' van de reputatie af van de schrijver die het onvermogen tot liefde en contact tot zijn exclusieve onderwerp had gemaakt?

“Het is geen spelletje. Bijna negen jaar lang heb ik boeken gepubliceerd waarin de onmogelijkheid of de uitzichtloosheid van de liefde het centrale thema was. Zo beleefde ik het zelf ook wel, maar ik heb altijd gevoeld dat dit niet het hele leven kon zijn. Ik vond het een uitdaging de liefde in haar positieve mogelijkheden te presenteren, op het grote gevaar af dat ik in clichés zou vervallen. Als je de liefde als iets onmogelijks voorstelt, loop je veel minder gevaar in de valkuilen van de gemeenplaatsen te trappen. Mij heeft dat risico geprikkeld. In elk geval was ik ervan overtuigd dat ik zo'n roman niet in Duitsland kon schrijven. Daarom ben ik in 1985 voor de eerste keer naar Mindanao getrokken, het zuidereiland van de Filippijnen, waar toen burgeroorlog heerste. Ik moest het boek schrijven in omstandigheden die op zichzelf al een overbelasting en een uitdaging betekenden.”

Maar wat voor roman u zou schrijven, wist u toen nog niet.

“Nee ik wist niets. Ik wist alleen dat ik de liefde wilde voorstellen als iets dat mogelijk was. Ik heb er vijf jaar over gedaan. Ik voelde me onbehaaglijk bij de gedachte dat ik elk jaar, van boekenbeurs tot boekenbeurs, een boek zou schrijven. Ik wilde weg van heel het Duitse culturele bedrijf. Maar ik had geen verhaal in mijn hoofd. Toen ik op de Filippijnen aankwam sloeg de schrik me om het hart. De situatie was onoverzichtelijk en dreigend. In mijn angst heb ik een schooltje opgezocht waar jezuïeten verbleven. Ik ontmoette er een oude priester die letterlijk tot me zei: "God was met u toen u mijn pad kruiste. U kunt met me meekomen.' Hij nam me mee naar een geïsoleerde missiepost in het bergland. De oude jezuïeten die ik er leerde kennen waren uit Amerika en Italië afkomstig, landen die ze al veertig jaar niet meer hadden gezien. Uiterlijk, zelfs in hun gedragingen, lijken ze nogal op de priesters uit Infanta, hoewel ik ze een ander verleden heb toegedicht. Op die kleine missiepost werd voor die oude mannen gekookt door een vrouw die ik alleen in walmen damp kon waarnemen. Dat prikkelde mijn verbeelding, want ik stelde me voor dat die kokkin een beeldschoon meisje moest zijn dat de hoofden van de oude priesters op hol joeg. Het kwam bij me op dat die priesters heimelijk naar iemand als ik hadden uitgekeken om me met dat meisje in contact te brengen, zodat ik haar als het ware in hun plaats erotisch zou neutraliseren. In werkelijkheid was de kokkin een oude vrouw zonder tanden, maar dat deed er niet toe. Toen begon mijn werk als schrijver. Toen ik de priesters mijn plot vertelde, hebben ze geknikt en gevraagd hoe dat meisje dan wel moest heten. Ze hadden een wondermooie pekinees die Mayla heette. Zo kwam de kokkin aan haar naam.”

Waren de priesters zo ontvankelijk als u dat in "Infanta' beschreven heeft? Hadden ze werkelijk allemaal een liefdesgeschiedenis achter de rug?

“Of ze allemaal een grote liefde hebben beleefd zoals ik dat in mijn boek vertel, weet ik niet. Maar ze wisten wel heel veel over het leven. Het waren kleurrijke figuren. Ze raasden op hun motoren door de jungle. Als ze op een verlaten plaatsje de mis celebreerden, waren ze steeds omringd door een twintigtal aantrekkelijke, dwepende jonge vrouwen. Daar beleefden de oude paters zeker plezier aan. Het geslachtelijke is toch maar een klein onderdeel van het verkeer dat tussen man en vrouw mogelijk is. Mannen kunnen met vrouwen interessante, prikkelende, gelukkige en intense relaties onderhouden zonder dat geslachtsverkeer moet plaatsvinden. Het bijzondere aan mijn paters was dat ze wel geïsoleerd leefden, maar toch heel werelds waren. Ze hebben aan alles deelgenomen, ook aan de Filippijnse revolutie.”

Had u dat boek niet in Duitsland kunnen schrijven, was de exotische omgeving noodzakelijk?

“Ik was me bewust van de Filippijnse revolutie, maar dat was geen gebeurtenis die mijn verhaal helemaal kon overwoekeren. Wat zou er gebeurd zijn als ik de roman in Duitsland gesitueerd zou hebben? De Duitse hereniging zou er tussen gekomen zijn, ik had het boek helemaal opnieuw moeten schrijven. Nee, ik had altijd het gevoel dat ik het boek moest schrijven op een plaats waar de gebeurtenissen me weliswaar beroeren en beïnvloeden, maar waar ze me toch genoeg met rust zouden laten. Reizen is voor mij geen doel op zichzelf. Ik heb geen bijzondere voorliefde voor het exotische, ik ben geen reisfanaat. De voorbereidingen werken me integendeel op de zenuwen en ter plaatse ben ik bang dat me iets overkomt. Maar toch is reizen iets wat ik niet kan laten, omdat mijn observatievermogen door de omgeving wordt aangescherpt. Bovendien ben ik dan met mijn taal, het Duits, alleen, want communiceren doe je in het Engels. Op reis voer ik een dialoog met mezelf, ik houd een dagboek bij en ik onderwerp mezelf aan een onafgebroken observatie. Ik ben mijn eigen oppasser. Ik kijk toe op wat ik doe. Dat doet me goed.”

Waarom wilde u zich aan het culturele bedrijf in Duitsland onttrekken?

“Als ik in Duitsland ben lees ik de culturele bijlagen, kijk ik televisie, ga ik naar de boekenbeurs. Je bent dan niet meer aan het schrijven, je praat alleen nog over het schrijven. Ik wilde daar als auteur aan ontkomen. Ik wilde helemaal van voren af aan beginnen. Ik wilde weer een beginneling worden, iemand zonder relaties of contacten. Dat wilde ik nog eens aan den lijve ondervinden.”

U heeft geen hoge dunk van de Duitse literaire clubs en zelfs niet van de naoorlogse Duitse literatuur.

“Zo scherp zou ik het niet uitdrukken. De Duitse literatuur die men als naoorlogs omschrijft en die tot het einde van de jaren zeventig heeft geduurd, is getekend door een canon van auteurs die werd opgebouwd met behulp van de media. Die schrijvers - het gaat om een vaste rij namen - werden geacht de Duitse geest terug te halen uit de verbanning van het Derde Rijk. Er ontstond een bepaalde steriliteit wat thematiek, middelen en stijl betrof, bijvoorbeeld doordat het niet netjes werd geacht zomaar een groot epos te schrijven. De blikken trommel van Günter Grass was een uitzondering. Maar wat buiten die groep werd geproduceerd werd haast niet meer waargenomen. Er zijn heel wat jonge Duitse auteurs die interessant schrijven, maar die niet aan bod komen. De canonisering van de Duitse literatuur heeft ook tot gevolg gehad dat het buitenland geen al te grote belangstelling meer opbracht voor romans uit Duitsland, omdat ze voor de smaak van buitenlandse uitgevers en lezers een beetje te vervelend of te moeilijk zijn. Zelf lees ik overigens geen moderne Duitse literatuur. Infanta sloeg bij de buitenlandse uitgevers waarschijnlijk goed aan, omdat het gaat om een relatief gesloten verhaal dat je zonder meer kan lezen.”

De Duitse kritiek was verdeeld in haar beoordeling van "Infanta'. Enkele critici verwijten u dat u alleen de oppervlakte beschrijft.

“Zoveel verstandige mensen hebben al opgemerkt dat het beschrijven van de oppervlakte de enige manier is om iets over de kern van een zaak te zeggen. Ik ben ervan overtuigd dat ze gelijk hebben. Ik zeg niet veel over mijn eigen werk, maar een ding staat vast: ik werk heel precies, ik worstel met de taal, ik tracht heel accuraat waar te nemen. Het doet me wel pijn als critici beweren dat ik Infanta gezeten in mijn leunstoel heb geschreven. Er zijn maar zelden situaties waarin het schrijven vlot verloopt. Die kan je op een hand tellen. Ik heb streng, dag aan dag, in Rome aan mijn boek gewerkt, van 's morgens tot 's avonds. Wat is het dan een heerlijk gevoel te beseffen dat een passage echt geslaagd is. Maar doorgaans heb je het gevoel dat zo'n boek een juk is, een last waaronder je verpletterd dreigt te worden. Aanvankelijk heb ik middelen gezocht of beter gezegd gevonden die mijn directe angsten en wensen tot uitdrukking konden brengen. Voor alles wat daar buiten viel had ik geen taal. Die taal heb ik door Infanta langzaam aan voor mezelf verworven. Dat heeft iets opgebracht dat groter was dan ik. Zeker in de laatste jaren had de roman een kracht waaraan ik mezelf in zekere zin kon onderwerpen. Want zo'n boek heb je nooit helemaal onder controle. Er steekt dus een zelfoverwinning in en dat is heel goed voor me. Tijdens mijn verblijf op de Filippijnen was dat natuurlijk heel anders. Daar trok ik na het avondeten naar een uit planken getimmerde kroeg, lummelde er rond, dronk er bier, zweette, flirtte en maakte tegelijk notities. Dat waren mooie uren. Daar kwamen de invallen.”

De hoofdpersoon, de Duitser Kurt Lukas, is een fotomodel. Hij speelt zijn rol niet, maar hij is zijn rol.

“Dat is juist. Ik schrijf boeken die zich intensief met de tegenwoordige tijd bezighouden. Ik heb geen belangstelling voor een wereld zoals die zou moeten zijn, of zoals ze was, al geef ik toe dat ik wel wil weten waar ik vandaan kom. Een mens heeft drie ouders: vader, moeder en de tijd waarin hij leeft. Ik wil deze tijd begrijpen. In deze tijd is Duitsland een onderdeel van een dun eilandje van gelukzaligen in Europa, een eiland dat al ophoudt in Joegoslavië. Op ons eiland kunnen we een relatief vrij leven leiden, dat zeer door narcisme getekend is. Wat betekent mijn leven op dat Europese eiland als je het vergelijkt met het leven van mijn ouders of met het leven in de rest van de wereld? Kurt Lukas stamt uit die smalle wereld der gelukzaligen. Ik heb hem naar een andere wereld verplaatst. Op die manier wilde ik ook mijn eigen wereld en mezelf leren begrijpen.”

Kurt Lukas is de belichaming van dat Westeuropese narcisme?

“Ja, Kurt Lukas is een belichaming van een door uiterlijkheden getekende persoon, al heeft hij natuurlijk als ieder mens een innerlijk leven. Ik wil hem niet veroordelen. Zijn zieleleven is zeker niet minder of eendimensionaler dan het innerlijk leven van een intellectueel. Het is gewoon anders, en dat heeft me geïnteresseerd. Wat gebeurt er als zo iemand onder het dak gaat leven van een paar oude jezuïeten die in hun leven heel andere motieven en waarden kenden, die andere doeleinden hadden? Die contrasten interesseren me.”

Ook het dorp Infanta wordt het voorwerp van een enscenering. De dorpsbewoners beginnen zich als acteurs te gedragen zodra de internationale televisiestations er neerstrijken om de begrafenis van de vermoorde pater Gregorio te filmen.

“In de Derde Wereld kun je waarnemen dat de mensen zich snel als acteurs gaan gedragen. Dat geldt ook voor de Filippijnen, een land van armoede, katholicisme en Hollywood. Als de wereldpers in Infanta binnenbreekt past het zich aan. Nergens ter wereld bestaan nog vluchtheuvels waaraan je aan onze beschaving kan ontsnappen. Overal waar mensen wonen, hoor je dezelfde liederen, in Amsterdam, Frankfurt of Infanta. Je komt er dezelfde beelden tegen. Dat is een gedeeltelijk zeer schokkende ervaring. Als intellectueel is men geneigd te zeggen dat het een verlies is voor de Derde Wereld. Zover wil ik niet gaan. Ik zou er geen waardeoordeel over willen uitspreken. Als het ertoe leidt dat de arme Filippijnen een betere medische verzorging hebben, beter te eten krijgen en in hun leven een beetje meer speelruimte krijgen dan de vorige generaties, dan is dat voor die mensen een grote winst.”

Ervaart u Infanta als een breuk met uw vroeger werk?

“Infanta zat al een beetje in mijn Mexikanische Novelle die ik zes jaar geleden schreef. Het is geen breuk, maar een stap. Misschien is het wel een sprong over een gracht of over een schaduw, maar geen breuk. Als het een breuk zou zijn, is het veel minder een literaire breuk dan een breuk in mezelf. Niet dat ik slimmer geworden ben, maar zoals dat nu eenmaal gaat in een mensenleven ben ik veranderd. Ik ben een stuk ouder geworden. Vroeger had ik de ambitie om de wereld in haar geheel te verklaren. Ik hield me bezig met het werk van Jacques Lacan, met het structuralisme, met de theorie van de begeerte. Maar ik moest vaststellen dat ik dingen deed die elkaar uitsloten of tegenspraken. Uit die ervaring heb ik geleerd en dat had zijn consequenties voor Infanta, een roman waarin het leven niet vanuit één perspectief geduid kan worden. De slotsom is dat er wel degelijk concurrerende meningen over de wereld naast elkaar kunnen bestaan, of het nu over de liefde gaat of over iets anders.”

Is de figuur van pater Gregorio een literair monumentje voor de psychoanalyticus Jacques Lacan?

“Misschien, ik ben er niet zeker van. Van alle oude priesters houd ik het meest van Gregorio. In mijn andere boeken traden altijd personages op die mijn angst voor het noodlot anticipeerden. Wat mijn personages overkwam, kon ook mij overkomen. In Gregorio maak ik duidelijk dat ouderdom heel goed kan samengaan met de niet aflatende wens om lief te hebben, te verlangen en te begeren. Dat houdt me sterk bezig en dat heb ik in deze figuur geprojecteerd. Als je het zo ziet steekt er een grote portie Lacan in. Gregorio is immers niet alleen erg koppig, hij is ook iemand die tot exclusieve meningen neigt.”