De oorlogsverklaring van Schubert

Zoals de één postzegels of opgezette vlinders verzamelt, zo verzamel ik sinds jaar en dag fonografische registraties van Franz Schuberts liederencyclus Die Winterreise.

Het is het vierentwintig muzikale miniaturen omvattende verslag van de wanhopige wandeling, door ijs en sneeuw, van een verliefde, maar afgewezen, jongeling. “Und ich wandere sonder Massen, ohne Ruh und suche Ruh.” Totdat hij de bejaarde lierdraaier ontmoet die met halfbevroren vingers zijn instrument bespeelt. “Wunderlicher Alter, soll ich mit dir gehn? Willst du meine Liedern deine Leiher drehn?”

De meeste Winterreisen zijn, vrees ik, tamelijk matig van kwaliteit. Zoals die van de Oostenrijkse Anton Dermato, larmoyant alsof hij voor een liederenrecital in het Dreimädelhaus is uitgenodigd. Of die van de Hongaarse bariton Svéd Sándor, die zich als een wildgeworden nijlpaard door de partituur heenbrult. Of die van de Belgische bas Jules Bastin, een zanger met "intonatieproblemen', waarmee in het algemeen beschaafd hoogrecensens wordt bedoeld dat hij een beetje vals zingt.

Het verst komen de tenor Peter Pears en de bariton Dietrich Fischer-Dieskau. Persoonlijk ben ik nogal gehecht aan vooroorlogse oudjes als Hans Duhan, Gerhard Hüsch en Karl Schmitt-Walter, al neem ik het hun kwalijk dat zij hun kunsten vertoonden in een tijd waarin menigeens winterse reis uiteindelijk in Auschwitz zou eindigen. Het oudst èn het best is de (helaas fragmentarische) Winterreise van de omnipotente Richard Tauber, die van elk der twaalf, in 1927, geregistreerde liederen een wonder van muzikale dramatiek heeft gemaakt.

Er staan ook enkele curiosa in de catalogus. Een Winterreise die zich tot het declameren van de oorspronkelijke "Gedichte aus den hintergelassenen papieren eines reisenden Waldhornisten' beperkt. En met name de Winterreise van de bas Shure Gehrman, zich noemende graaf Alexander Labinsky, eigenaar van het label Nimbus en bewind voerende over personeel dat het niet heeft gewaagd de baas te vertellen dat hij ab-so-luut niet zingen kan. Vallen de dames eigenlijk ook onder de curiosa? Ik vind van niet. Brigitte Fassbänder, Christa Ludwig en Lois Marshall weten zich heel behoorlijk te redden, al is het jammer dat het concert van de laatstgenoemde zo te horen, in de badkamer van de Universiteit van Toronto is opgenomen. Maar diegenen, die menen dat deze mannenliederen exclusief aan tenoren en baritons zijn voorbehouden, hebben ongelijk. De in deze cyclus bezongen emoties - liefdesverdriet en vereenzaming - zijn van algemeen menselijke aard, niet gebonden aan de vraag of je een broek hetzij een rokje draagt.

Franz Schubert is nog steeds een onderschat kunstenaar, al begint de laatste jaren het besef door te dringen dat er weinig klopt van het clichébeeld van de gezellige, romantische wat damesschuwe krullebol, die in de schaduw van de titaan Ludwig van Beethoven een aantal hoogst passabele liederen en symfonieën heeft gecomponeerd, maar wiens oeuvre voor de rest - pianosonates, strijkkwartetten, oratoria - niet zoveel voor zou stellen. Zijn Winterreise is echter allerwege als een meesterwerk erkend. Op de verkeerde wijze, denk ik. Het liederenlievende publiek laat zich graag bekoren door het welluidende gesomber in deze cyclus en is veelal doof voor de politieke en persoonlijke implicaties. De harde, barre winter is een onmiskenbare metafoor voor de feodale, autoritaire aera-Metternich, waarvan - de regelmatig gecensureerde - Schubert een verklaard tegenstander was. Verder hebben wij tot voor kort niet mogen weten waarom de grondtoon van Die Winterreise - "Wie welt noch bis zur Bahre?' - zo desolaat en vertwijfeld is. De gezellige, romantische, zij het wat damesschuwe krullebol, schreef deze liederen in een verregaand stadium van syfilis, een gegeven dat bijna anderhalve eeuw lang preuts is genegeerd. Het eerste deel van de cyclus ontstond in mei 1827, het tweede deel in het najaar van datzelfde jaar, toen Schubert op de lues-afdeling van het Wiener Allgemeines Krankenhaus was opgenomen. Zijn lichaam was met uitslag overdekt en véél van die gezellige krulletjes had hij inmiddels niet meer op zijn hoofd.

De officiële Chinese muziektheorie in de vroege jaren zeventig zei, in haar ideologische verdwazing, Schuberts oeuvre als het klankgeworden kleinburgerdom te beschouwen. Het tegendeel is waar: Een werk als Die Winterreise is veeleer een proeve van de scherpe kritiek op het kleinburgerdom: “Es bellen die Hunde, es rasseln die Ketten, es schlafen die Menschen in ihren Betten” - men vergelijke het met Herman Finkers sarcastische “In Almelo, in Almelo, is altijd wat te doen. Het stoplicht springt op rood. Het stoplicht springt op groen.”

Nee, Schuberts Winterreise is geen op muziek gezette kasteelroman, maar een spijkerharde beschrijving van afgronddiepe menselijke ellende, dwarsstaand op elk vertoon van sentimentaliteit. De uitvoerend kunstenaar èn het publiek zijn daarvoor veelal doof. Het beroemde lied Der Lindenbaum, het vijfde lied van de cyclus, kreeg al spoedig de twijfelachtige status van evergreen, op bruiloften en partijen voor te dragen, liefst begeleid door een trekharmonika. “Ich träume in seinem Schatten so manchen süssen Traum...” Helaas, het gaat hier niet om een dromerige idylle, maar om een kwestie van leven en dood, het gaat hier om een linde die de radeloze zwerver fluisterend uitnodigt om zich in zijn takken te verhangen. “Komm her zu mir, Geselle, hier findst du deine Ruh!”

Zijn er overigens nog liefhebbers die ik mijn collectie Winterreises (zevendertig) cadeau mag doen? Want de oorzaak van deze beschouwing is mijn Winterreise nummer achtendertig. Gezongen door de Japanse mezzo-sopraan Mitsuko Shirai. De begeleidende tekst spreekt over Schubert als een "heden ten dagen tot een klassieker vergroofde' kunstenaar, van wiens "compromisloosheid' zelden iets te bespeuren valt. Vervolgens presenteert de zangeres een regelrechte oorlogsverklaring aan de Biedermeier, in een voordracht die je doet beven in je stoel en je het gevoel geeft pas nu, na een kwart eeuw Winterreisen, te begrijpen wat de componist ons met zijn Zyklus schauerlicher Lieder aan het verstand heeft willen brengen.