De democratische ruggegraat; De nieuwe Tweede Kamer van Pi de Bruijn

Al in de tweede helft van de negentiende eeuw was de vergaderruimte van de Tweede Kamer aan vervanging toe, maar pas dit jaar krijgt het parlement een nieuw onderkomen, ontworpen door Pi de Bruijn. “De discrepantie tussen de lange, luidruchtige geschiedenis en het uiteindelijke rustige, bijna bescheiden resultaat, is onvoorstelbaar”, vindt Max van Rooy.

Voor de muzikale omlijsting van de opening van de nieuwe vergaderzaal op 28 april liet de Tweede Kamer zes studenten van het Haags conservatorium een muziekstuk schrijven. Paul Luttikhuis sprak met hen.

Als het aan Thorbecke had gelegen, was er al in 1863 een nieuw onderkomen voor de Staten-Generaal gebouwd. Het oude Binnenhof met de Ridderzaal en de voormalige balzaal van Willem de Vijfde waar het parlement tot aan het nu lopende Paasreces bijeenkwam, was in de tweede helft van de vorige eeuw al hoognodig aan vervanging toe. Geldgebrek voorkwam dat de liberale voorman een bij zijn bestuurlijke nieuwlichterij behorende behuizing tot stand bracht.

De volgende aanslag op de grafelijke gebouwen van het Binnenhof werd gepleegd in 1915 door de minister van Waterstaat, ingenieur Lely. Hij bestemde een bedrag van een halve ton voor een besloten prijsvraag voor uitbreiding van het gebouw van de Tweede Kamer. De Eerste Wereldoorlog en de daaropvolgende financiële malaise doorkruisten dit voornemen en het duurde tot 1920 voordat opnieuw een ontwerp-competitie werd uitgeschreven. Het initiatief leverde interessante tekeningen op van onder anderen de architecten H.P. Berlage, E. Cuypers, K.P.C. de Bazel en J. Limburg. Maar ook nu weer werd door geldgebrek van de onderneming afgezien.

Na de uitbreiding van de Tweede Kamer in 1956 met vijftig leden, werd het op en om het Binnenhof onhoudbaar vol. Het duurde nog twintig jaar voordat, in 1977, een derde poging volgde om met een ontwerpopdracht tot ruimteverlichting te komen. Rijksbouwmeester Wim Quist schreef een prijsvraag uit voor uitbreiding van de behuizing van het parlementaire bedrijf. Het programma van eisen was door premier Den Uyl en minister Gruyters van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening ontdaan van alle luxueuze uitspattingen als een hotel en een zwembad. De opdracht was even sober als gecompliceerd, "(...) niet slechts voor een gebouwontwerp maar óók voor een oefening in kwalitatieve stadsvernieuwing', stelde Gruyters.

In geen van de 113 inzendingen werd voldoende architectonische kwaliteit ontdekt om de ontwerpers ervan uit te nodigen voor de voorgenomen tweede ronde. De prijsvraag werd ontbonden en de toenmalige minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, P.A.C. Beelaerts van Blokland kreeg het fiasco gepresenteerd.

Bewindslieden en betrokken Kamerleden namen geen genoegen met de kale afloop. Vooral de architectonische aspiraties vonden zij overdreven. Kamerlid H. Rienks (PvdA) van de Bouwbegeleidingscommisie: “Het gaat ons niet in de eerste plaats om iets moois gebouwd te krijgen in Den Haag. Het parlement moet zo snel mogelijk uit de ruimtenood geholpen worden. Als het óók nog mooi kan worden, dan is het meegenomen.”

De toenmalige Kamervoorzitter dr. A. Vondeling: “De uitbreiding zal het van zijn binnenkant moeten hebben. Tegen het Binnenhof kan het toch niet concurreren en hier tussen al die veelsoortige andere gebouwen aan Hofweg en Lange Poten zal er niet onmiddellijk een situatie ontstaan, die mensen sprakeloos van de schoonheid van de omgeving zal laten stilstaan.”

Minister Beelaerts van Blokland toonde zich bij nader inzien evenmin uit het veld geslagen. Hij betoogde dat de prijsvraaginzendingen kennelijk het op dat moment heersende bouwkunstniveau weerspiegelden en dat daarmee dus gewerkt diende te worden. Hij nodigde drie architecten uit om, bij wijze van meervoudige opdracht, een nieuw ontwerp te maken. De drie waren: ir. Arie Hagoort uit Rotterdam, ir. Pi de Bruijn uit Amsterdam, en Groep 5 (Edzard Luursema en ir. Hans van der Linden) uit Rijswijk.

Bescheiden

Op 29 augustus 1980 werd op de wekelijkse persconferentie van de premier bekend gemaakt dat De Bruijn was aangewezen als de architect voor de uitbreiding en herziening van de Tweede Kamer.

Vervolgens werd aangekondigd dat zijn ontwerp niet zou worden uitgevoerd.

De ministerraad vond dat de Tweede Kamer de noden nog maar eens moest herzien. Weliswaar was de architect gekozen die blijk had gegeven het beste aan de gestelde criteria te voldoen, maar de regering wenste een veel grotere bescheidenheid van de te ontwerpen ingreep. Dat onderzoek geschiedde en ir. P. de Bruijn werkte er aan mee.

Ter verkrijging van een vrije baan die loopt van het Plein naar de Hofsingel, werd het rijtje huizen aan de Hofstraat met het bekende House of Lords gesloopt en ging ook het lelijke, hautaine gebouw van de Hoge Raad aan het Plein tegen de grond. Het voormalige ministerie van Koloniën - stijl: neorenaissance - tegenover het Mauritshuis, kon, net als het voormalige ministerie van Justitie - stijl: neogotiek - op de hoek van Plein en Lange Poten, bij de nieuwe accommodatie worden betrokken. Hetzelfde gold voor het lichte, in beheerste Jugendstil uitgevoerde Hotel Central dat met de drie frivole, als Russische hoepelrokken gedecoreerde koepels, eerder thuishoort aan de boulevard in Scheveningen dan aan de Lange Poten in Den Haag.

Binnen dit amalgaam van stijlen moest De Bruijn het nieuwe onderkomen voor de Tweede Kamer ontwerpen. Het kon niet anders worden dan een ingenieus weefsel, in plaats van een echt, volwassen en zelfstandig gebouw. De ruggegraat van het weefsel loopt evenwijdig met de lengte-as van het Binnenhof en de nieuwe plenaire zaal ligt op één lijn met de Ridderzaal.

De discrepantie tussen de meer dan een eeuw lange, luidruchtige geschiedenis vol drama's, bureaucratie, politiek gechicaneer en het uiteindelijke rustige, bijna bescheiden resultaat, is onvoorstelbaar.

Openbaar

Voor de buitenwereld is de langwerpige noord-zuid gerichte schepping van Pi de Bruijn vooral zichtbaar aan de twee uiteinden. De zuidgevel met het gesloten, halfronde exterieur van de plenaire zaal, de transparante wandelgang daaromheen en de massieve hoektoren ernaast - en de noordkant, de kant van het Plein, met de kop van de ruim honderd meter lange, overdekte verbindingsstraat die de indruk wekt van een zelfstandig, rechthoekig toegangsgebouw tussen de voormalige ministeries van Justitie en van Koloniën. Het gezicht waarmee het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer zich aan de stad vertoont, laat zich alleen aan de hand van deze twee onderdelen beoordelen. De rest is binnenkant en daar is wel iets van te zien als je buiten staat - vooral in het toegangsgebouw, de centrale lichthal met op de eerste en tweede verdieping de restaurants, is veel glas toegepast - maar het merendeel van het inwendige blijft vanaf de straat verborgen. Of de democratische ruggegraat die loopt van het Plein naar de Hofplaats een openbare passage wordt - de verbinding is heel nadrukkelijk als zodanig ontworpen - hangt af van de toeschietelijkheid van Kamervoorzitter Deetman. En die lijkt niet erg groot, zoals we hebben gemerkt toen Lubbers aan hem vroeg of Hans van Mierlo even op de zetel van de minister-president in het oude Kamergebouw mocht zitten, voor een historische foto. De voorzitter vond dat niet gepast en gaf geen gehoor aan het baldadige verzoek van de premier. En nu heeft Deetman beslist dat in het nieuwe Kamergebouw de centrale doorgang voorlopig voor publiek gesloten blijft.

Dat is jammer, want daardoor wordt het gebouw van Pi de Bruijn een ander gebouw. Door de letterlijke ontoegankelijkheid wordt het voor de buitenwereld introvert gemaakt, terwijl het als het tegendeel, als een extravert gebouw is ontworpen. Net als bij de transparante, nieuwe vleugel van het Concertgebouw in Amsterdam, heeft De Bruijn in Den Haag de gevels van de oude, naburige gebouwen, Hotel Central, het voormalige ministerie van Justitie, geheel intact gelaten en als aanknopingspunt gebruikt voor de ingeweven nieuwbouw. Vóór, dus los van de buitenmuren, werden lichtgrijze, ijzeren kolommen geplaatst die de glazen overkappingen dragen.

Het natuursteen dat voor de vloeren werd gebruikt, gebouchadeerd en gepolijst Braziliaans graniet afwisselend in donkere en lichte banen gelegd, versterkt het beeld van overgangsgebied tussen buiten en binnen, het domein dat het midden houdt tussen een hal en een overdekt terras of perron. De Bruijn is er in geslaagd om die opwindende dualiteit tussen buiten en binnen vorm te geven en de Kamervoorzitter doet het volk werkelijk tekort als hij het niet toestaat deze stemming te mogen ondergaan.

Zal de nieuwbouw van de Tweede Kamer architectuurgeschiedenis maken? In de aard van de opdracht lag geen grootse, meeslepende bouwkunst besloten en door de uiteindelijke architectenkeuze is deze richting bevestigd. Het antwoord is dus: nee. Als geen ander is ir. Pi de Bruijn ervan overtuigd dat het vak van architect een dienstbare professie is en ook in het geval van de nieuwe behuizing van de Tweede Kamer, heeft hij zich niet als een kunstenaar, maar als een intelligente functionalist gedragen. Een technicus met een goed ontwikkeld esthetisch gevoel. De materialen zijn van goede kwaliteit, de meeste kleuren deugen - al is het rood soms te rood - de afwerking is over het algemeen zorgvuldig, wat niet wil zeggen dat alle details feilloos zijn.

Ook de angst dat een nieuw parlementsgebouw geen karakter kan bezitten, omdat nieuwe gebouwen geen geschiedenis hebben, blijkt in dit geval ongegrond. Door het vele glas stroomt de historie, uitgestraald door de omringende, beladen gebouwen, overvloedig en weldadig binnen. Of de stemming in de ongekend ruime plenaire zaal, met de groene vloerbedekking, het blauwe plafond, de kobaltblauwe zetels, de prachtige perehouten lessenaars en die ene, zorgvuldig toegelaten strook licht, inspirerend genoeg zal zijn om onze volksvertegenwoordiging tot optimale wijsheid en ongekende spirituele hoogte te brengen lijkt tenslotte een zaak van de voorzitter. De architect heeft zijn best gedaan, behoudens één in het oogspringend onderdeel: de hoektoren met de vierkante ramen.

Om te beginnen zijn de verhoudingen van de toren niet ideaal. Het massieve gevaarte is een verwijzing naar het hoekgebouw van het Binnenhof, terzijde van de zuidelijke poort en zou dus daaraan zijn vormbetekenis moeten ontlenen. Maar als de twee torens niet in één blikveld zijn te vangen - en dat is zo - is een dergelijke referentie krachteloos. Citaat of geen citaat, de toren moet geheel op eigen kracht worden beoordeeld en dan is het een lompe, fantasieloze vorm die in de jaren vijftig thuishoort. De plechtige, verticale kasteelkraag aan de bovenkant en de vierkante roestvrij stalen ramen die goedkoop op de gevel liggen, geven de toren een anachronistisch, stijlloos karakter. Jammer, want hij staat op zo'n kostbare plek.